ECLI:NL:RBBRE:2007:BB2618
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortijdige aflossing overbedelingsschuld en toepassing artikel 12 Successiewet
De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 12 van Pro de Successiewet 1956, waarin wordt beoordeeld of een voortijdige partiële aflossing van een overbedelingsschuld door de erflaatster binnen 180 dagen voor haar overlijden als een fictieve verkrijging moet worden belast.
Erflaatster had een recht van gebruik tot haar overlijden op een renteloze schuld die pas opeisbaar was bij haar overlijden. Zij loste binnen 180 dagen voor haar overlijden een deel van deze schuld aan haar erfgenamen af. De inspecteur nam deze aflossing mee als een fictieve verkrijging en legde hierop successierecht vast. Belanghebbende stelde dat dit onterecht was en dat de toepassing van artikel 12 Sw Pro onredelijk was, mede vanwege de gezondheidstoestand van erflaatster.
De rechtbank oordeelde dat de aflossing binnen de termijn van 180 dagen valt en derhalve als fictieve verkrijging moet worden aangemerkt. De waardering van het recht van vruchtgebruik geschiedde volgens de wettelijke bepalingen en onafhankelijk van de gezondheidstoestand, zoals voorgeschreven in het Uitvoeringsbesluit Successiewet. De bezwaren van belanghebbende werden verworpen en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag successierecht wordt gehandhaafd.