ECLI:NL:RBBRE:2007:BA8407
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aftrek contante waarde earn-out regeling bij verkoop deelneming onder deelnemingsvrijstelling
Belanghebbende, een houdstermaatschappij, verkocht een belang van 35% in een vennootschap waarbij een deel van de koopsom als achtergestelde lening werd uitgesteld en een mogelijke aanvullende vergoeding (earn-out) was overeengekomen. In de aangifte vennootschapsbelasting werd de contante waarde van deze mogelijke aanvullende vergoeding onder de deelnemingsvrijstelling verantwoord.
In 2001 werd duidelijk dat geen aanvullende betalingen meer te verwachten waren, waarna belanghebbende de contante waarde ten laste van het fiscaal resultaat bracht. De inspecteur weigerde deze aftrek en stelde dat de regeling onderdeel was van de leningvoorwaarden, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2005.
De rechtbank oordeelde dat de bepalingen los van elkaar moeten worden gezien en dat de extra vergoeding een aandeel in potentiële overwinst betreft. Omdat geen toekomstige uitkeringen meer te verwachten zijn, mag de afboeking ten laste van het resultaat worden gebracht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, stelde het verlies vast en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en staat aftrek van de contante waarde van de earn-out regeling toe.