ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7277
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.A.F.M. Stassen
- J.J.J. Engel
- D. Hund
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor onderneming door BV in oprichting in 2001 en 2002
Belanghebbende, medisch specialist verbonden aan een maatschap, stelde dat het winstaandeel in de maatschap voor rekening en risico van een BV in oprichting kwam. Ter onderbouwing overhandigde hij een niet geregistreerde intentieverklaring uit 2000, die pas in 2003 aan de inspecteur werd bekendgemaakt. De inspecteur betwistte dit.
De rechtbank oordeelde dat deze intentieverklaring onvoldoende bewijs vormt dat de onderneming reeds in 2001 of 2002 door de BV werd gedreven. Belanghebbende kon niet aannemelijk maken dat de onderneming voor rekening van de BV in oprichting was. De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Het subsidiaire geschil over de kwalificatie van stortingen door de maatschap op de bankrekening van belanghebbende als resultaat uit overige werkzaamheden behoefde geen beslissing meer, nu het primaire geschil was afgewezen.
De uitspraak werd gedaan op 5 april 2007 door de rechtbank Breda en is openbaar uitgesproken. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende zijn ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs dat de onderneming in 2001 en 2002 voor rekening van de BV in oprichting werd gedreven.