ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7206
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.J.J. Engel
- D. Hund
- C.A.F.M. Stassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling deelnemingsvrijstelling en vertrouwensbeginsel bij aandelenbelang onder 5 procent
X BV verkocht een deelneming en verkreeg aandelen in Y NV, waarbij het belang door een emissie in 1998 verwaterde tot onder 5%. X BV stelde dat het aandelenpakket een oneigenlijke deelneming betrof volgens artikel 13, derde lid, Wet VPB, en verzocht de inspecteur dit te bevestigen. De inspecteur stelde een kritische notitie op en vroeg om reactie, waarop X BV niet meer reageerde, waarna de inspecteur het verzoek buiten behandeling stelde.
In de aangifte vennootschapsbelasting 1998 nam X BV expliciet het standpunt in dat het pakket geen deelneming was, zonder materiële gevolgen voor de winst. De inspecteur stelde de aanslag conform de aangifte vast, met voorbehoud over de kwalificatie van het aandelenpakket. In latere jaren daalde de waarde van het pakket, wat X BV ten laste bracht van het resultaat. Partijen zijn het erover eens dat het pakket als deelneming moet worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur noch met de conceptnotitie, noch met het vaststellen van de aanslag 1998 een in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat het belang niet als deelneming zou worden aangemerkt. De brief van de inspecteur maakte duidelijk dat het standpunt voorbehouden bleef. Het beroep van X BV wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van X BV wordt ongegrond verklaard en het standpunt van de inspecteur bevestigd dat het aandelenbelang als deelneming moet worden aangemerkt.