ECLI:NL:RBBRE:2007:BA3805
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging vervolguitkering WW wegens gewekt gerechtvaardigd vertrouwen
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn vervolguitkering WW per 1 juni 2006 te beëindigen, terwijl eerder was medegedeeld dat deze door zou lopen tot 1 juni 2007. De rechtbank stelt vast dat verweerder in een brief van 11 mei 2004 een onjuiste einddatum heeft genoemd en dat eiser daarop mocht vertrouwen, mede gelet op een telefonisch contact met een medewerker van verweerder die de einddatum bevestigde.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van 11 mei 2004 niet kan worden aangemerkt als een kennelijke misslag en dat verweerder het gerechtvaardigd vertrouwen van eiser heeft gewekt. Dit vertrouwen is geschonden door het latere besluit tot vervroegde beëindiging zonder dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt of compensatie heeft overwogen.
Gelet op de financiële gevolgen voor eiser, die een forse inkomensachteruitgang zal ondervinden, had verweerder moeten onderzoeken of een uitlooptermijn of andere compensatie passend was. Het ontbreken van een dergelijke afweging maakt het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het griffierecht aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de vervolguitkering per 1 juni 2006 wordt vernietigd wegens schending van het gerechtvaardigd vertrouwen en het ontbreken van compensatie.