ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ9272
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Alferink
- Schnitzler
- Van Ham
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs moordzaak vermist slachtoffer na 15 jaar
In deze zaak werd verdachte verdacht van de moord op een in 1991 vermist slachtoffer wiens stoffelijk overschot pas na 15 jaar werd aangetroffen. Ondanks aanwijzingen die duiden op mogelijke betrokkenheid of kennis van verdachte, bevat het strafdossier onvoldoende wettige bewijsmiddelen om tot een veroordeling te komen.
Het onderzoek toonde aan dat verdachte meerdere ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd, waaronder het verzwijgen van een ontmoeting met het slachtoffer vlak voor diens verdwijning. Er bestaat een vermoeden dat verdachte meer weet dan hij verklaart, maar dit kon niet worden bewezen. De verjaringstermijn leidde tot niet-ontvankelijkheid van de vervolging voor het feit van onttrekking van het lijk aan nasporing.
De rechtbank concludeerde dat ondanks de omstandigheden en vermoedens, er geen overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen of medeplichtigheid aan de moord. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs; vervolging voor onttrekking lijk is verjaard.