ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ7096
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.J.J. Engel
- D. Hund
- A.J. Kromhout
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen afwijzing afwaardering vordering binnen fiscale eenheid
Belanghebbende stelde dat zij per 1 januari 2002 een vordering had op haar dochtermaatschappij [BV3] ter hoogte van €54.454, voortvloeiend uit schuldig gebleven huurpenningen uit een mondelinge huurovereenkomst. Deze dochter was per die datum uit de fiscale eenheid ontvoegd en ging in mei 2002 failliet.
De inspecteur betwistte het bestaan van de vordering en wees erop dat belanghebbende onvoldoende concrete gegevens had overgelegd ter onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat de enkelvoudige jaarrekeningen van beide vennootschappen onvoldoende waren om het bestaan van de vordering aannemelijk te maken. De bewijslast lag bij belanghebbende, die hierin niet slaagde.
De rechtbank volgde de inspecteur niet in diens beroep op omkering of verzwaring van de bewijslast op grond van het niet verstrekken van inlichtingen. Gezien het niet aannemelijk maken van de vordering was het niet nodig de vraag te beantwoorden of de bedrijfswaarde gelijk was aan de nominale waarde.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Breda op 13 december 2006.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van de afwaardering van de vordering wordt ongegrond verklaard.