ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ4070
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.L.L. Poeth
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontruiming medehuurder na ontbinding hoofdhuurovereenkomst
De zaak betreft een geschil tussen Stichting WonenBreburg en de hoofdhuurder E en zijn echtgenote B, die medehuurder is geworden door huwelijk en inschrijving op het gehuurde adres. WonenBreburg vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens hennepteelt en wanprestatie van E. De huurovereenkomst met E werd ontbonden en ontruiming bevolen, maar B werd medehuurder door haar huwelijk en hoofdverblijf in de woning.
WonenBreburg stelde dat het onaanvaardbaar was dat B haar rechten als medehuurder kon uitoefenen, mede omdat zij niet tijdig was geïnformeerd over de procedures en haar inschrijving in het bevolkingsregister mogelijk bedoeld was om ontruiming te frustreren. E en B betwistten dit en voerden aan dat B van rechtswege medehuurder is geworden en recht heeft in de woning te blijven.
De rechtbank oordeelde dat de wet bescherming biedt aan medehuurders, ook na ontbinding van de huurovereenkomst van de hoofdhuurder. Er was geen bewijs dat B bewust handelde om de verhuurder te benadelen of dat sprake was van misbruik. Het beroep op medehuurderschap was niet onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De vordering tot ontruiming van B werd daarom afgewezen, evenals de vordering tegen E in deze procedure.
WonenBreburg werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De uitspraak bevestigt de sterke positie van medehuurders bij beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst en benadrukt het belang van redelijkheid en billijkheid in de beoordeling van dergelijke geschillen.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de medehuurder wordt afgewezen; medehuurder mag in de woning blijven wonen.