ECLI:NL:RBBRE:2006:AY7890
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op vrijstelling overdrachtsbelasting wegens ontbreken monumentenrechtspersoon status bij verkrijging
Belanghebbende verkreeg op 1 augustus 2002 een monumentaal pand en deed een beroep op de vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Echter, op dat moment beschikte belanghebbende niet over de vereiste rangschikking als monumentenrechtspersoon. Deze rangschikking werd pas op 16 december 2003 verkregen, ruim een jaar na de verkrijging.
De rechtbank oordeelt dat de vrijstelling een tijdstipbelasting is en dat de beoordeling van de voorwaarden plaatsvindt op het moment van de verkrijging. Materiële toetsing achteraf is niet toegestaan. De aanvraag van de rangschikking na de verkrijging kan niet met terugwerkende kracht worden toegerekend. De door belanghebbende aangevoerde resolutie van 1975 en andere jurisprudentie zijn niet van toepassing op de situatie waarin de rangschikking te laat is aangevraagd.
Belanghebbende heeft ook een verzoek tot toepassing van de hardheidsclausule ingediend, dat door de Staatssecretaris van Financiën is afgewezen. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het zich tegen deze afwijzing richt. Voor het overige wordt het beroep ongegrond verklaard en wordt de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting gehandhaafd.