ECLI:NL:RBBRE:2006:AW3566
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vergrijpboete wegens onjuiste belastingaangifte ondanks vaststellingsovereenkomst
Belanghebbende heeft een vaststellingsovereenkomst gesloten met de Belastingdienst over de belastingheffing van spaarbrieven, waarin een bedrag van € 2.268.901 tegen 10% werd belast. Bij de aangifte werd echter onjuist een bedrag van € 226.890 in Box II aangegeven in plaats van Box I, met een lager belastingbedrag. Deze onjuiste aangifte werd door de gemachtigde ingevuld en ingediend zonder de overeenkomst te raadplegen.
De rechtbank stelt vast dat de onjuiste aangifte te wijten is aan opzet van de gemachtigde, die op de hoogte was van de overeenkomst, en dat deze opzet aan belanghebbende moet worden toegerekend. De opgelegde vergrijpboete van 10% van het nagevorderde belastingbedrag is passend en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verdere matiging wordt afgewezen.
Belanghebbende betoogt dat de boete onterecht is en dat de heffingsrente verminderd moet worden vanwege vermeende afspraken met de inspecteur, maar de rechtbank verklaart het beroep ongegrond voor de boete en niet-ontvankelijk voor het heffingsrentebedrag. De rechtbank benadrukt dat de inspecteur niet verplicht is om afspraken over heffingsrente te maken en dat belanghebbende niet is geschaad door het ontbreken van een mogelijkheid tot gemotiveerd betwisten van de boete voorafgaand aan oplegging.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond voor de vergrijpboete en niet-ontvankelijk voor de heffingsrente, en handhaaft de boete van 10%.