ECLI:NL:RBBRE:2006:AV4670
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking WAO-uitkering en toepassing uitlooptermijn
Eiseres, een werkgever, stelde beroep in tegen het besluit van het UWV tot intrekking van de WAO-uitkering van een voormalige werkneemster, waarbij de uitkering per 1 januari 2005 zou worden ingetrokken. De rechtbank stelde vast dat verweerder bij toepassing van artikel 36b van de WAO een langere uitlooptermijn dan de minimale zes weken kan hanteren, mits dit gemotiveerd gebeurt en belangen van werkgever en verzekerde worden afgewogen.
Verweerder had een uitlooptermijn van twee maanden en drie dagen gehanteerd, zonder deze voldoende te motiveren. De rechtbank oordeelde dat dit in strijd was met het motiveringsbeginsel (artikel 7:12 Awb Pro) en vernietigde het besluit voor zover de intrekking per 1 januari 2005 was vastgesteld. De uitkering werd met ingang van 31 december 2004 ingetrokken, waarmee een redelijke belangenafweging werd gemaakt tussen de werkgever en de werkneemster.
Het verzoek van eiseres tot schadevergoeding wegens de vertraagde intrekking werd afgewezen, omdat de grondslag daarvoor verviel door de vernietiging van het besluit. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 1 januari 2005 wordt vernietigd en de uitkering wordt ingetrokken per 31 december 2004.