ECLI:NL:RBBRE:2006:AV0138
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht postume AOW-uitkering bij erfgenamen
De erfgenamen van de overledene hebben een aanvraag voor een postume AOW-uitkering ingediend nadat de pensioengerechtigde zelf nooit een aanvraag had gedaan. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) kende de uitkering toe met een terugwerkende kracht van maximaal één jaar voorafgaand aan de aanvraag, conform het eigen beleid dat stelt dat bij postume aanvragen geen hardheid kan worden aangenomen.
De erfgenamen voerden aan dat er sprake was van een bijzonder geval en hardheid, omdat de overledene door ziekte niet in staat was de aanvraag zelf te doen en onbekend was met zijn recht. Tevens werd een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel vanwege mededelingen van een medewerker van de SVB over een mogelijke terugwerkende kracht van vijf jaar.
De rechtbank oordeelde dat het SVB-beleid niet in strijd is met artikel 16, tweede lid, van de AOW en dat het niet onredelijk is dat alleen de pensioengerechtigde zelf een beroep op hardheid kan doen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging was gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van de erfgenamen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de AOW-uitkering met één jaar terugwerkende kracht blijft in stand.