ECLI:NL:RBBRE:2005:AT7924

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
23 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/00026
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 8:67 AwbArt. 8:75 AwbArt. 25 lid 4 AWRArt. 27d AWR
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op gelijkheidsbeginsel bij toepassing Vinkenslagregeling in inkomstenbelasting

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003, waarbij hij zich beroept op het gelijkheidsbeginsel. Hij stelt dat hij fiscaal gelijk behandeld moet worden als belastingplichtigen die onder meer gebruik maken van de Vinkenslagregeling en andere fiscale regelingen en praktijken.

De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat eiser zich uitsluitend beroept op het gelijkheidsbeginsel voor zover sprake is van begunstigend beleid, en niet op een oogmerk van begunstiging door de inspecteur. De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie waarin is bepaald dat voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel sprake moet zijn van vergelijkbare gevallen die gunstiger zijn behandeld, dat die gunstiger behandeling berust op beleid van de belastingdienst en dat dit beleid een begunstigend karakter moet hebben.

De rechtbank oordeelt dat verweerder, de inspecteur, heeft gesteld en eiser bevestigt dat er geen oogmerk van begunstiging was bij het toepassen van de Vinkenslagregeling en andere genoemde regelingen. Hierdoor faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige vereisten te beoordelen en verklaart het beroep ongegrond.

Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is op 23 juni 2005 in het openbaar gedaan door de rechtbank Breda, sector bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Registratienummer: AWB 05/00026
Uitspraakdatum: 23 juni 2005
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[[x]],
Wonende te [Z], eiser,
gemachtigde, de heer [C. ], verbonden aan [D. ] B.V. te [Q.],
en
de inspecteur van de Belastingdienst [te P.],
verweerder,
gemachtigde, de heer [A.] en de heer mr. [B].
Betreft:
De uitspraak van verweerder van 3 januari 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.483,=.
Onderzoek ter zitting:
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2005. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens eiser, de heer mr. [C. ], verbonden aan [D. ] B.V. te [Q.], alsmede, namens verweerder, de heer [A.] en de heer [B].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
Vooraf en ambtshalve
Eiser heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zijn grieven met betrekking tot de schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb juncto artikel 25, vierde lid van de AWR, uitsluitend van belang zijn voor de veroordeling in de proceskosten en daarmee niet bedoeld is in geval van vernietiging van de bestreden uitspraak de zaak terug te wijzen. Belanghebbende wil dat, in het geval hij in het gelijk wordt gesteld, de rechtbank de zaak zelf afdoet. Nu niet gebleken is dat eiser in bezwaar het verzoek heeft gedaan te worden gehoord acht de rechtbank geen schending van de hoorplicht aanwezig en zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien .
2.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is in geschil het antwoord op de vraag of de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003, ten bedrage van € 23.872,=, op grond van het gelijkheidsbeginsel moet worden verminderd tot nihil.
Eiser is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
2.2. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij uitsluitend een beroep doet op toepassing van het gelijkheidsbeginsel voorzover dit begunstigend beleid betreft. Hij beroept zich daarbij op de volgende regelingen c.q. praktijken, afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang bezien:
- De zogenaamde “Vinkenslag-regeling”;
- De algemene instructie, inzake de zogenaamde kwade posten, uit 1983;
- De praktijk van de contra legem afspraken;
- Het sinds 1997 gevoerde vrijplaatsenbeleid.
2.3. Ter zitting heeft eiser uitdrukkelijk verklaard dat hij geen beroep doet op toepassing van het gelijkheidsbeginsel voorzover dit het oogmerk van begunstiging betreft aangezien verweerder met het uitvoeren van bovenstaande regelingen c.q. praktijken zijns inziens nooit het oogmerk heeft gehad belastingplichtigen in die vergelijkbare gevallen te begunstigen.
Tevens heeft belanghebbende in de stukken en ter zitting verklaard dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet de toepassing van de meerderheidsregel inhoudt.
2.4. Op grond van vaste jurisprudentie moet voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op grond van begunstigend beleid aan een drietal vereisten worden voldaan:
- er moet sprake zijn van vergelijkbare gevallen die gunstiger zijn behandeld;
- de gunstiger behandeling moet berusten op een beleid van de belastingdienst; en
- het beleid van de belastingdienst moet een begunstigend karakter hebben.
In aanvulling hierop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2004, nr. 38 262, onder meer gepubliceerd in BNB 2004/392, in rechtsoverweging 3.8. het volgende overwogen:
“(…) Met dit betoog wordt miskend dat indien sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel buiten de situatie waarin de meerderheidsregel toepassing kan vinden, nodig is dat die ongelijke behandeling berust op een begunstigend beleid of op een oogmerk van begunstiging. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging is beslissend het oogmerk van de inspecteur toen hij de aanslag(en) regelde zoals hij heeft gedaan, niet, zoals het middel bepleit, welke voorstelling de belastingplichtige zich heeft gemaakt van het oogmerk van de inspecteur. Ook wat deze onderdelen betreft faalt derhalve het middel.”
2.5. Op pagina twee van zijn pleitnota stelt eiser:
“De stelling onder 6.3.1. en 6.3.3. verweerschrift dat er geen oogmerk van begunstiging zou zijn geweest, doet aan de begunstiging – als vereiste voor het onderhavige beroep op het gelijkheidsbeginsel – niet af. Met andere woorden: een oogmerk is niet vereist.”.
Zoals blijkt uit het in 2.4. aangehaalde arrest is dit een onjuiste zienswijze.
2.6. Verweerder heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd verklaard dat voorzover de - hierboven in 2.2.- vermelde regelingen c.q. praktijken als beleid zijn aan te merken, deze niet zijn uitgevoerd met het oogmerk van begunstiging en dat dit oogmerk ook niet bestond ten tijde van het opleggen van de aanslagen. Eiser is met verweerder van mening dat met de uitvoering van de onder 2.2. vermelde regelingen c.q. praktijken verweerder nooit het oogmerk heeft gehad te begunstigen.
2.7. Op grond van voornoemd arrest van de Hoge Raad is voor een geslaagd beroep op toepassing van het gelijkheidsbeginsel op grond van begunstigend beleid onder meer vereist dat verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag een oogmerk van begunstiging had. Nu verweerder heeft gesteld dat dit oogmerk van begunstiging niet bestond en dit door eiser wordt bevestigd is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige beroep op toepassing van het gelijkheidsbeginsel reeds op die grond faalt.
Nu het beroep reeds op grond van het vorenstaande niet kan slagen, gaat de rechtbank voorbij aan de vraag of aan de overige vereisten voor de toepassing van het gelijkheidbeginsel op grond van begunstigend beleid wordt voldaan.
2.8. Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep ongegrond worden verklaard.
3. Proceskosten
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. A.J. Kromhout. De beslissing is op 23 juni 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L. Abbing-van Kleef, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,
2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;
2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.