ECLI:NL:RBBRE:2005:AT1407
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Kooijman
- Vos
- Zuidema
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheidsverweer en voorlopige hechtenis in moordzaak met medeplichtigheid
In deze strafzaak bij de rechtbank Breda stond onder meer het niet-ontvankelijkheidsverweer centraal dat was gericht tegen het gebruik van opgenomen telefoongesprekken tussen verdachte en diens raadsman. De rechtbank oordeelde dat het vastleggen en beluisteren van deze gesprekken niet in strijd is met de wet en de beginselen van een behoorlijke procesorde, mede gelet op artikel 126 aa Pro en 152 van het Wetboek van Strafvordering. Er was geen aannemelijk bewijs dat tijdens deze gesprekken informatie naar voren kwam die het onderzoek onrechtmatig zou maken.
Daarnaast werd een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen omdat er ernstige bezwaren bestonden tegen verdachte, zowel voor moord of doodslag alsmede medeplichtigheid daaraan. De rechtbank benadrukte dat het niveau van verdenking voor voorlopige hechtenis niet gelijk hoeft te zijn aan dat voor veroordeling.
Verder behandelde de rechtbank diverse verzoeken van de raadsman, waaronder inzage in omvangrijke dossiers, het horen van een getuige-deskundige en aanvullende proces-verbalen. Sommige verzoeken werden afgewezen of geschorst in afwachting van nader onderzoek, terwijl het verzoek tot het horen van de getuige-deskundige werd toegewezen. De rechtbank besloot het onderzoek te schorsen en verwees de zaak naar de rechter-commissaris voor verder onderzoek.
Uitkomst: Het niet-ontvankelijkheidsverweer werd verworpen en het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen wegens ernstige bezwaren tegen verdachte.