ECLI:NL:RBBRE:2004:AO7739
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tijdelijke voogdijvoorziening wegens feitelijk gezag en verblijfstitel
Op 19 maart 2004 diende mevrouw A.A. een verzoek in bij de rechtbank Breda om haar neef, de heer E.H., te benoemen tot tijdelijke voogd over haar minderjarige kinderen. Dit verzoek werd nader toegelicht door de Raad voor de Kinderbescherming. De feiten wezen uit dat de verzoekster en de minderjarigen in 1994 door de vader naar Marokko waren meegenomen en na diens overlijden in 2001 terugkeerden naar Nederland, waar zij momenteel samenwonen met de heer E.H.
Hoewel de minderjarigen in het bezit zijn van een Nederlands paspoort, beschikt verzoekster alleen over de Marokkaanse nationaliteit en heeft zij geen geldige verblijfsvergunning. Zij stelde hierdoor niet in staat te zijn formeel het ouderlijk gezag uit te oefenen, wat de reden was voor haar verzoek tot tijdelijke voogdij.
De kantonrechter oordeelde dat verzoekster feitelijk wel het gezag over de minderjarigen uitoefent en dat het ontbreken van een geldige verblijfstitel geen grond is voor tijdelijke schorsing van het ouderlijk gezag conform artikel 1:253 lid 1 BW Pro. Bovendien werd overwogen dat verzoekster er zelf voor kiest zonder geldige verblijfstitel in Nederland te verblijven, en dat de rechter dit niet via een beschikking kan goedkeuren.
Daarom wees de kantonrechter het verzoek tot tijdelijke voogdijvoorziening af. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden na uitspraak voor verzoekster en belanghebbenden.
Uitkomst: Het verzoek tot tijdelijke voogdijvoorziening wordt afgewezen omdat verzoekster feitelijk het gezag uitoefent ondanks het ontbreken van een geldige verblijfstitel.