ECLI:NL:RBBRE:2002:AZ9391

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
10 december 2002
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
83730 HAZA 00-836-2
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Bouwman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vermogensverrekening en regeling na echtscheiding

De rechtbank Breda heeft op 10 december 2002 uitspraak gedaan in een civiele zaak betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling tussen partijen na hun relatiebeëindiging. Eerder was bij tussenvonnis van 20 november 2001 een comparitie gelast om inlichtingen te verkrijgen over de waarde van vermogensvermeerderingen en de wijze van verrekening, met aandacht voor lijfrente- en kapitaalverzekeringen.

De rechtbank oordeelt dat geen reden bestaat om terug te komen op de eerdere beslissingen, maar erkent dat partijen gebaat zijn bij een afwikkeling die kapitaalvernietiging voorkomt. Daarom wordt de procedure naar de parkeerrol verwezen voor een nieuwe comparitie, waarbij partijen worden gewezen op de eerdere overwegingen. Tevens wordt bepaald dat tussentijds hoger beroep tegen de tussenvonnissen mogelijk is.

Tijdens de comparitie heeft de man aangegeven niet over liquide middelen te beschikken en betwist hij een substantiële betalingsverplichting aan de vrouw. Hij beroept zich op een juridisch advies waarin de standpunten van de rechtbank als rechtsgrond ontbreken worden bestempeld. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan in afwachting van de comparitie en eventuele beroepsprocedures.

Uitkomst: De rechtbank staat tussentijds hoger beroep toe en houdt verdere beslissingen aan in afwachting van een nieuwe comparitie.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector Handelsrecht
Enkelvoudige Kamer VONNIS
in de zaak 83730 HAZA 00-836 van:
[de vrouw],
wonende te Dongen,
eiseres in conventie bij dagvaarding van 27 april 2000,
verweerster in reconventie,
procureur: mr. P.C.H. Jansen,
advocaat: mr. A.M.B. Leerkotte,
tegen:
[de man], wonende te Dongen,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
procureur: mr. J.M. Veldkamp.
1. Het verdere verloop van het geding.
Dit blijkt uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 20 november 2001 en de daarin genoemde stukken;
de brief van 26 februari 2002 van mr. Veldkamp, met producties, genummerd la tot en met leen 2;
de brief van 15 oktober 2002 van mr. Veldkamp, met producties, genummerd 4 en 5;
het proces-verbaal van comparitie van partijen.
2. De verdere beoordeling.
In conventie en in reconventie:
2.1 Bij tussenvonnis van 20 november 2001 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast teneinde inlichtingen van partijen te verkrijgen omtrent de waarde van de bij de verrekening in aanmerking te nemen vermogensvermeerdering en de meest wenselijke wijze van verreke-ning, onder meer met betrekking tot de lijfrente- en kapitaalverzekeringen, alsmede om een regeling in der minne te beproeven.
2.2 Ter comparitie is van de zijde van de man medegedeeld dat de man niet over liquiditeiten beschikt. Teneinde de verrekening door middel van betaling van een bedrag door de man aan de vrouw te effectueren zouden verzekerings-overeenkomsten dienen te worden afgekocht, dan wel zou de man onroerend goed dienen te verkopen. De man heeft echter aangegeven dat hij zijns inziens niet tot betaling van enig substantieel bedrag aan de vrouw is gehouden. De man beroept zich in dat verband op een ter voorbereiding op de comparitie van partijen door zijn raadsvrouwe aan de comparitierechter toegezonden brief van 30 januari 2002 van prof. mr. E.A.A. Luijten, waarvan de conclusie luidt (productie 2 bij de brief van 26 februari 2002 van mr. Veldkamp; pagina 6 onder 4.2):
"De conclusie moet dan ook zijn, dat namens de man ter comparitie op 12 maart a.s. duidelijk afstand dient te worden genomen van de door de Rechtbank geponeerde standpunten, die rechtens elke grond missen.
Een compromis bereiken is prijzenswaardig doch daartoe moeten concessies worden gedaan van beide zijden; dit vonnis is echter zo eenzijdig gegrond op de pretense rechtsgronden in deze van de vrouw, dat het op zich bezien géén uitgangspunt kan bieden voor een regeling."
2.3 De rechtbank acht geen grond aanwezig om terug te komen op de in het tus-senvonnis genomen beslissingen. Beide partijen zijn evenwel gebaat bij afwik-keling van de tussen hen bestaande vermogensrechtelijke verhouding op zoda-nige wijze dat kapitaalvernietiging zoveel mogelijk wordt voorkomen. Een dergelijke afwikkeling zal naar het oordeel van de rechtbank, zo nodig na voorlichting van de rechtbank door een deskundige, eerst mogelijk zijn nadat de man eerdergenoemde beslissingen van de rechtbank door de appèlrechter heeft kunnen laten toetsen. De rechtbank acht het derhalve in het belang van beide partijen en van een goede rechtspleging om partijen alsnog de gelegen-heid te bieden tussentijds hoger beroep tegen de in het tussenvonnis vervatte beslissingen in te stellen.
2.4 De overwegingen en de beslissingen die in het tussenvonnis zijn verwoord dienen als hier herhaald te worden beschouwd. De rechtbank zal opnieuw een comparitie van partijen gelasten. De rechtbank zal de procedure echter naar de parkeerrol verwijzen voor dat bepaling comparitie. De rechtbank wijst par-tijen in verband met de te zijner tijd te houden comparitie van partijen op het-geen is overwogen onder 3.26 van het tussenvonnis.
2.5 De rechtbank zal bepalen dat tussentijds hoger beroep van het tussenvonnis en van dit tussenvonnis kan worden ingesteld.
2.6 In afwachting van de comparitie van partijen zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.
3. De beslissing.
De rechtbank:
in conventie en in reconventie:
gelast partijen, vergezeld van hun raadslieden, tot het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te verschijnen voor het lid van deze rechtbank mr. Bouwman, die daartoe zitting zal houden in een van de kamers van het gerechtsgebouw aan de Sluissingel 20 te Breda op een in overleg met partijen nader vast te stellen dag en uur;
verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 7 april 2004 voor dat bepaling comparitie van partijen;
bepaalt dat tussentijds hoger beroep van het vonnis van 20 november 2001 kan worden ingesteld;
bepaalt dat tussentijds hoger beroep van dit vonnis kan worden ingesteld; houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bouwman en uitgesproken ter openbare terechtzit-ting van 10 december 2002