ECLI:NL:RBBRE:2001:AB2261
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Kok
- Rechtspraak.nl
Herleving van recht op nabestaandenuitkering bij beëindiging gezamenlijke huishouding door overlijden
Eiseres had een nabestaandenuitkering krachtens de Anw die eindigde door haar huwelijk met de heer B. Na het overlijden van de heer B vroeg zij om herleving van haar oude recht op uitkering op grond van artikel 16, derde lid, van de Anw. Verweerder wees dit af met het argument dat bij overlijden een nieuw recht op uitkering ontstaat en herleving niet mogelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de wetstekst en de memorie van toelichting geen uitzondering maken voor situaties waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden. Integendeel, de herlevingsperiode geldt voor alle gevallen van beëindiging van de gezamenlijke huishouding binnen zes maanden, ongeacht de reden.
De rechtbank volgt de uitleg van eiseres en concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en in strijd is met de wet. Het besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij het recht op herleving van de uitkering wordt erkend. Tevens worden de proceskosten en het griffierecht aan eiseres toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege onjuiste uitleg van artikel 16, derde lid, van de Anw.