ECLI:NL:RBBRE:2001:AB1491
Rechtbank Breda
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Geschil over vaststelling koopprijs aandelen BTG S & C Holding B.V. en benoeming bindend adviseur
Partijen sloten op 4 november 2000 een koopovereenkomst waarbij Ten Have alle aandelen van BTG S & C Holding B.V. van DVRG zou kopen tegen een prijs gebaseerd op de intrinsieke waarde per 31 oktober 2000. De intrinsieke waarde moest definitief worden vastgesteld door een bindend adviseur, benoemd door gezamenlijke accountants van partijen.
Na levering van de aandelen en het opmaken van een balans door Arthur Andersen ontstond onenigheid over de vaststelling van de intrinsieke waarde. Ten Have kon zich niet verenigen met de balans en de accountants slaagden er niet in gezamenlijk een bindend adviseur te benoemen. DVRG stelde het beding tot gezamenlijke benoeming ontbonden en stelde voor de voorzitter van het NIVRA te verzoeken een bindend adviseur aan te wijzen, maar Ten Have weigerde medewerking.
DVRG vorderde in kort geding dat Ten Have onvoorwaardelijke medewerking zou verlenen aan de benoeming van een bindend adviseur en dat zij zich namens Ten Have tot de voorzitter van het NIVRA mocht wenden. Ten Have stelde dat partijen op 23 januari 2001 mondeling overeenstemming hadden bereikt over een vaste koopprijs van f 350.000,-- en dat de bankgarantie was geretourneerd.
De President oordeelde dat naar het zich liet aanzien tussen partijen overeenstemming was bereikt over de koopprijs en dat DVRG voorshands geen belang had bij de gevraagde voorzieningen. De vorderingen werden afgewezen en DVRG werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van DVRG af en veroordeelt haar in de kosten van het geding.