ECLI:NL:RBASS:2012:BV6598

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
7 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
830226-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van seksueel misbruik minderjarige

De rechtbank Assen behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel misbruik van een minderjarige tussen juli en september 2010 in Nieuw-Buinen. De officier van justitie achtte het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en vorderde een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Tijdens de terechtzitting ontkende verdachte stellig de tenlastegelegde feiten. De bewijsvoering van de officier van justitie was uitsluitend gebaseerd op de verklaring van het vermeende slachtoffer en verklaringen van diens familieleden, die hun kennis ontleenden aan het slachtoffer zelf. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 342 lid 2 Sv Pro het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan worden gebaseerd.

De rechtbank achtte de feiten niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, die zij bij de burgerlijke rechter kan indienen. Beide partijen dragen hun eigen kosten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van seksueel misbruik van een minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
Sector strafrecht
Parketnummer: 19.830226-11
vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 7 februari 2012 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
M L,
geboren te Groningen op 19 januari 1978,
wonende te M, K 11.
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 24 januari 2012.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. S, advocaat te H.
Tenlastelegging
De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 20 september 2010 te Nieuw-Buinen, gemeente Borger-Odoorn, met N. van D (geboren op 25 april 2000), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Van D, hebbende verdachte zijn tong in de vagina van die Van D geduwd/gebracht en/of de vagina van deze Van D gelikt en/of zijn penis (meermalen) in de onderbroek van deze Van D gebracht;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat
hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2010 tot en met 20 september2010 te Nieuw-Buinen, gemeente Borger-Odoorn, met N. van D, geboren op 25 april 2000, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig likken van de vagina van deze Van D en/of het (meermalen) brengen van zijn penis in de onderbroek van deze Van D;
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie, mr. B.D. van der Burg, acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Zij vordert een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht, waarvan een gedeelte groot 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Voorts vordert de officier van justitie de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij N. van D tot een bedrag van € 1.212,71 en het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van deze benadeelde partij.
Vrijspraak
De verdachte zal zowel van het hem primair als subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken omdat de rechtbank dat, evenals de raadsman en anders dan de officier van justitie, niet bewezen acht. De rechtbank acht onvoldoende wettig bewezen dat de verdachte de hem verweten handelingen heeft gepleegd.
De verdachte heeft ten stelligste ontkend dat hij de tenlastegelegde handelingen heeft begaan.
De rechtbank constateert dat de officier van justitie haar bewijsvoering uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van het vermeende slachtoffer, N van D, en de verklaringen van D K en E van D, de zus en de vader van N, die hun wetenschap enkel hebben van N.
De bron van de aangifte van E van D en de getuigenverklaring van D K is de verklaring van N zelf.
Volgens het tweede lid van art. 342 Sv Pro kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Vgl. o.a. NJ 2009, 495 en NJ 2010, 515.
Vordering van de benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd N. van D, voor een bedrag van
€ 1.212,71.
De rechtbank acht de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen.
De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij N. van D niet ontvankelijk is in haar vordering en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. E.C.M. Wolfert en M. van der Veen, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 7 februari 2012, zijnde mr. M. van der Veen buiten staat dit vonnis binnen de daartoe door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.