ECLI:NL:RBASS:2011:BQ6499
Rechtbank Assen
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voogdij aan vader na overlijden moeder ondanks testamentaire voogd
De vader van de minderjarige heeft bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend tot benoeming in het ouderlijk gezag, nadat de moeder van het kind was overleden. De moeder had in haar testament haar broer benoemd tot voogd, die deze voogdij ook heeft aanvaard. De vader vordert in kort geding dat zijn zoon aan hem wordt toevertrouwd in afwachting van de bodemprocedure.
De rechtbank overweegt dat het verzoek van de vader slechts kan worden afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind bij toewijzing worden verwaarloosd. De testamentaire benoeming vervalt van rechtswege indien het verzoek van de vader wordt toegewezen. De voorzieningenrechter acht onvoldoende gesteld of gebleken dat er gegronde vrees bestaat voor verwaarlozing van de belangen van het kind.
De tegenwerpingen van de voogd, waaronder verslavingen en een strafrechtelijk verleden van de vader, worden niet aannemelijk geacht. Ook de ziekte van de stiefmoeder wordt niet als voldoende reden gezien om de vordering af te wijzen. De wens van het kind om bij zijn vader te wonen en het feitelijke verblijf bij de vader worden meegewogen. De rechtbank wijst de vordering toe en legt een omgangsregeling vast tussen de minderjarige en de voogd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige vordering toe en vertrouwt de minderjarige toe aan de vader met een omgangsregeling voor de voogd.