RECHTBANK ASSEN
Sector strafrecht
Parketnummer: 19.635006-10
Uitspraak van de meervoudige economische strafkamer d.d. 8 maart 2011 in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van het openbaar ministerie tegen:
[veroordeelde],
gevestigd te [plaats], [adres],
De officier van justitie heeft een ontnemingsvordering ingediend die ertoe strekt dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 4 Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat aan veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 67.514,-.
De officier van justitie, de vennoten [vennoot 1] en [vennoot 2] en de raadsman van veroordeelde, mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen, zijn gehoord ter openbare terechtzitting van 22 februari 2011.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zijn schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op een als bijlage 11 aan het strafdossier toegevoegde berekening van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, betreffende de nettowinst van de [veroordeelde] in het jaar 2008. Overeenkomstig deze berekening dient volgens de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel te worden geschat op € 67.514,-.
De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gebaseerd op het ter terechtzitting overgelegde jaarrapport 2008. Op pagina 6 van dit jaarrapport wordt weergegeven dat de nettowinst van de [veroordeelde] in het jaar 2008 € 56.877 bedroeg. De raadsman is van mening dat de te betalen belasting over dit bedrag op dit bedrag in mindering dient te worden gebracht.
Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 8 maart 2011 veroordeeld ter zake van het medeplegen van overtreding van de artikelen 18, eerste lid, en 61, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet (kort gezegd: het bereiden en het ter hand stellen van geneesmiddelen, zonder daartoe bevoegd te zijn), meermalen gepleegd, in de periode vanaf 24 januari 2008 tot en met januari 2009.
Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat de veroordeelde uit de bewezen verklaarde feiten voordeel heeft verkregen.
De rechtbank zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel het door de raadsman ter terechtzitting overgelegde en aan het dossier toegevoegde jaarrapport 2008 als uitgangspunt nemen. Uit de winst- en verliesrekening over 2008 op pagina 6 van dit rapport blijkt dat de [veroordeelde] in 2008 een nettowinst van € 56.877,- heeft behaald.
De rechtbank acht het echter aannemelijk dat dit bedrag niet volledig is toe te schrijven aan de bij vonnis van 8 maart 2011 bewezen verklaarde gedragingen. Een deel van de winst is immers gegenereerd met legale activiteiten die binnen de onderneming hebben plaatsgevonden, zoals het geven van voorlichtingen, het verrichten van medische keuringen en het opstellen van behandelplannen. Naar redelijkheid zal de rechtbank - bij gebreke van concrete gegevens hieromtrent - het voordeel dat aan de illegale activiteiten valt toe te schrijven schatten op een bedrag van € 20.000,-.
De rechtbank houdt - conform jurisprudentie van de Hoge Raad - hierbij geen rekening met over dit bedrag reeds afgedragen of nog af te dragen belastingen, nu een belastingheffing over ontnomen voordeel ingevolgde de fiscale wetgeving ongedaan wordt gemaakt.
De rechtbank zal aan de veroordeelde dan ook de verplichting opleggen om € 20.000,- ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.
Toepassing van wetsartikelen
De op te leggen maatregel berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Stelt het bedrag waarop het door veroordeelde door middel van of uit de baten van de bewezen verklaarde feiten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 20.000,- en legt aan veroordeelde de verplichting op € 20.000,- aan de Staat te betalen ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. J.J. Schoemaker en mr. B.I. Klaassens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 maart 2011.