ECLI:NL:RBASS:2010:BM0548

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
14 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
77955 - FA RK 10-343
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BWArt. 1:255 BWArt. 1:280 BWArt. 1:296 BWArt. 1:331a BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag tijdelijke voogdij Bureau Jeugdzorg Drenthe en weigering ambtshalve ondertoezichtstelling minderjarigen

In deze zaak was Bureau Jeugdzorg Drenthe belast met de tijdelijke voogdij over vier minderjarige kinderen. De testamentair voogd had zich bereid verklaard de voogdij te aanvaarden en de man verzocht de rechtbank om Bureau Jeugdzorg te ontslaan uit de tijdelijke voogdij. Bureau Jeugdzorg voerde gemotiveerd verweer en verzocht subsidiair om ambtshalve ondertoezichtstelling van de kinderen en machtiging tot gesloten uithuisplaatsing van de oudste dochter.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek van de man tot ontslag van Bureau Jeugdzorg uit de tijdelijke voogdij niet kon worden afgewezen op grond van het feit dat de voogdij niet binnen de wettelijk gestelde termijn van twee weken na overlijden van de moeder was aanvaard. Ook kon de rechtbank niet ambtshalve de kinderen onder toezicht stellen, omdat de wettelijke voorwaarden daarvoor niet waren vervuld.

Hoewel Bureau Jeugdzorg zorgen uitte over de belangen van de kinderen bij ontslag uit de tijdelijke voogdij, achtte de rechtbank deze zorgen onvoldoende om het verzoek af te wijzen. De rechtbank besloot Bureau Jeugdzorg met ingang van de datum van de beschikking uit de tijdelijke voogdij te ontslaan, maar niet met terugwerkende kracht. Het verzoek tot machtiging tot gesloten uithuisplaatsing werd eveneens afgewezen.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak.

Uitkomst: Bureau Jeugdzorg Drenthe wordt ontslagen uit de tijdelijke voogdij over de minderjarigen en het verzoek tot ambtshalve ondertoezichtstelling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
Sector Civiel
Beschikking d.d. 14 april 2010
Zaaknummer 77955 / FA RK 10-343
Beschikking van de tweede enkelvoudige kamer in de zaak van:
[VERZOEKER],
wonende te [woonplaats],
verzoeker, hierna te noemen de man,
toegevoegd advocaat mr. D. Jakobs,
-- en --
Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe,
gevestigd te 9403 VL Assen, Klompmakerstraat 2a, (postbus 263, 9400 AG Assen),
gerekwestreerde, hierna ook te noemen de tijdelijk voogdes of SBJD.
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
De man heeft op 8 februari 2010 een verzoekschrift ingediend, waarbij wordt verzocht om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de tijdelijk voogdes over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [1993] te [geboorteplaats];
[minderjarige 2], geboren op [1995] te [geboorteplaats];
[minderjarige 3], geboren op [1997] te [geboorteplaats]; en
[minderjarige 4], geboren op [1998] te [geboorteplaats], hierna ook te noemen: de minderjarigen, te ontslaan met ingang van 4 februari 2010.
Bij het verzoek zijn stukken overgelegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van 11 februari 2010 van SBJD.
SBJD heeft op 25 maart 2010 een verweerschrift ingediend. Bij dit verweerschrift zijn bijlagen gevoegd.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 29 maart 2010. De man verscheen samen met mr. Jakobs. Hij werd bijgestaan door een door SBJD geregelde tolk. Namens SBJD verschenen mevrouw [medewerker 1] en de heer [medewerker 2]. De heer [medewerker RvdK] was aanwezig namens de Raad voor de Kinderbescherming.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
Bij beschikking van 8 april 2009 is SBJD met ingang van 23 maart 2009 belast met de tijdelijke voogdij over voornoemde minderjarigen tot het moment waarop de testamentaire voogdij een aanvang zal nemen.
Uit de stukken die bij het verzoekschrift zijn overgelegd is komen vast te staan dat de testamentair voogd op 3 februari 2010 ter griffie van de rechtbank Assen zich bereid heeft verklaard de voogdij over voornoemde minderjarigen te aanvaarden.
Bij verzoekschrift van 8 februari 2010 verzocht de man om SBJD te ontslaan uit de tijdelijke voogdij.
Voor zover SBJD stelt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de man de voogdij niet binnen de wettelijk gestelde termijn van 2 weken na overlijden van de moeder heeft aanvaard, berust dit betoog op een verkeerde lezing van de wet. Artikel 1:280, sub a, BW bevat geen bepaling die de man verplicht om binnen twee weken na overlijden de voogdij te aanvaarden. Toen de zaak ter zitting van 6 april 2009 werd behandeld waren er ook al twee weken na het overlijden van de moeder verstreken. Blijkens de aantekeningen van die terechtzitting is toen nog namens SBJD verklaard dat SBJD de man zou gaan helpen met de aanvaarding van de voogdij. Mocht SBJD van mening zijn dat de man de onduidelijkheid over het al dan niet aanvaarden te lang liet voortduren, dan had SBJD het testament kunnen laten betekenen om de man zo te verplichten op een eerder moment zijn keuze te bepalen. Geen enkele belanghebbende is daartoe overgegaan.
Namens SBJD is uiteengezet waarom SBJD zich zorgen maakt omtrent de wijze waarop de man de belangen van de kinderen heeft behartigd en zal gaan behartigen. Ook indien die zorgen terecht zijn – de man betwist dat stellig – zou dat gezien de wettelijke regeling geen grond kunnen zijn voor afwijzing van het verzoek van de man. Artikel 1:296, tweede lid, BW voorziet niet in een inhoudelijke toets van het functioneren van de voogd, zoals SBJD bepleit. Nu de man de voogdij op de voorgeschreven wijze heeft aanvaard is er geen grond om zijn verzoek de tijdelijke voogd te ontslaan af te wijzen.
SBJD verzocht subsidiair, voor het geval het verzoek niet afgewezen wordt, de beslissing omtrent het verzoek van de man een jaar aan te houden. Daartoe ziet de rechtbank geen reden. Hetgeen SBJD heeft aangevoerd kan geen aanleiding zijn om het verzoek van de man af te wijzen. De rechtbank kan in hetgeen is aangevoerd dan ook geen reden zien om de zaak – langdurig – aan te houden.
Meer subsidiair verzocht SBJD de rechtbank om alle vier de kinderen ambtshalve onder toezicht te stellen en een machtiging tot gesloten uithuisplaatsing af te geven voor de oudste dochter.
De rechtbank begrijpt dit zo, dat SBJD geen zelfstandig verzoek tot ondertoezichtstelling indient, hetgeen SBJD ook niet kan indienen, maar dat SBJD bedoelt de rechtbank te wijzen op een door SBJD veronderstelde bevoegdheid van de rechtbank om ambtshalve tot ondertoezichtstelling te besluiten.
De wet geeft de rechtbank de mogelijkheid om een minderjarige ambtshalve onder toezicht te stellen, in een aantal in de wet genoemde gevallen. Het gaat dan steeds om een situatie waarin een verder strekkende maatregel wordt gevraagd, dan die ondertoezichtstelling.
In een situatie waarin sprake is van voogdij, betreft het de artikelen 1:331a BW en 1:332a BW. In plaats van schorsing van de voogd in de uitoefening van de voogdij en voorziening in de voorlopige voogdij, kan de rechtbank ambtshalve besluiten de minderjarige onder toezicht te stellen. Die mogelijkheid heeft de rechtbank ook als alternatief voor de ontzetting uit de voogdij. Het beginsel van proportionalititeit brengt mee dat niet dieper moet worden ingegrepen dan noodzakelijk is. In plaats van het gevraagde “meerdere” kan de rechtbank dan besluiten tot het “mindere” van de ondertoezichtstelling. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. De rechtbank kan naar aanleiding van het verzoek van de man om SBJD uit de tijdelijke voogdij te ontslaan niet ambtshalve de minderjarigen onder toezicht stellen. Dat geldt temeer voor de gevraagde machtiging tot gesloten uithuisplaatsing van de oudste dochter.
SBJD is van mening dat de belangen van de kinderen in het gedrang zullen komen als zij niet meer via de tijdelijke voogdij invloed kan uitoefenen. Zij vreest dat de man – in tegenspraak met zijn toezeggingen – de oudste dochter weer naar huis zal willen halen, dat hij noodzakelijke hulpverlening voor de andere kinderen zal weigeren, dat hij de kinderen materieel zou kunnen benadelen, waarbij ook andere risicofactoren zijn benoemd.
Dat zou de basis kunnen zijn voor verzoeken op basis van artikel 1:254 BW Pro of – indien dringend en onverwijld noodzakelijk – artikel 1:255 BW Pro. Dergelijke verzoeken, die SBJD ook niet zelf kan indienen, liggen niet ter beoordeling voor.
De man heeft verzocht SBJD met ingang van 4 februari 2010 te ontslaan uit de tijdelijke voogdij. De rechtbank zal SBJD echter met ingang van heden uit de tijdelijke voogdij ontslaan. SBJD heeft de voogdij tussen 4 februari en heden uitgeoefend en die periode bevoegd beslissingen genomen over de kinderen en het inkomen van de kinderen. Gezien de discussie tussen de man en SBJD, met name ook over het beheer van de financiën, acht de rechtbank het onwenselijk om SBJD met terugwerkende kracht te ontslaan uit de tijdelijke voogdij.
BESLISSING
De rechtbank:
- ontslaat de Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe, postbus 263, 9400 AG Assen, met ingang van 14 april 2010, als tijdelijk voogdes over voornoemde minderjarigen;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.M.L. Veen, rechter, bijgestaan door H. van Veen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2010.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.