ECLI:NL:RBASS:2007:AZ7654
Rechtbank Assen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M.C. Obenhuijsen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst tijdens opzegtermijn wegens verstoorde arbeidsrelatie en ontbreken vergoeding
Een 57-jarige werknemer, die 32 jaar als productiemedewerker bij de werkgever in dienst was, verzocht de rechtbank om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst tijdens de opzegtermijn. De arbeidsovereenkomst was opgezegd door de werkgever met toestemming van het CWI in het kader van een reorganisatie zonder sociaal plan of afvloeiingsregeling. De werknemer stelde primair dat de arbeidsrelatie sinds oktober 2006 zodanig verstoord was dat ontbinding op korte termijn gerechtvaardigd was en subsidiair dat het ontbreken van een ontslagvergoeding een reden was voor ontbinding.
De rechtbank oordeelde dat de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de arbeidsrelatie onherstelbaar verstoord was. Er waren wel meningsverschillen over de invulling van de vrijstelling van werkzaamheden en de voortzetting van het werk, maar geen ernstige omstandigheden die het onredelijk maakten om tot het einde van de opzegtermijn door te werken. Ook het feit dat de werkgever geen vergoeding had aangeboden bij opzegging werd niet als een gewichtige reden voor ontbinding gezien. De rechtbank verwees naar artikel 7:681 BW Pro voor toetsing van de opzegging op kennelijke onredelijkheid.
De rechtbank wees het verzoek tot ontbinding af en veroordeelde de werknemer in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat het ontbreken van een vergoeding bij opzegging niet automatisch leidt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en dat een verstoorde arbeidsrelatie voldoende concreet moet zijn om ontbinding tijdens de opzegtermijn te rechtvaardigen.
Uitkomst: Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst tijdens opzegtermijn wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verstoorde arbeidsrelatie en geen grond voor vergoeding.