ECLI:NL:RBASS:2006:AZ0703

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
17 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
19.605138-06
Instantie
Rechtbank Assen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafzaak tegen verdachte wegens verkeersongeval onder invloed van alcohol

In deze strafzaak, behandeld door de Rechtbank Assen op 17 oktober 2006, stond de verdachte terecht voor een verkeersongeval dat plaatsvond op 29 oktober 2005 te Tiendeveen. De verdachte, die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was bij het ongeval, had voorafgaand aan het rijden alcohol genuttigd. De officier van justitie beschuldigde de verdachte van roekeloosheid, maar de rechtbank oordeelde dat er sprake was van een lichtere mate van schuld, namelijk zeer onvoorzichtig en onoplettend gedrag. De rechtbank achtte de verdachte strafbaar, omdat er geen strafuitsluitingsgronden aanwezig waren.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich zodanig had gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval had plaatsgevonden. De verdachte had, terwijl hij onder invloed van alcohol was, een bromfietsbestuurder zwaar lichamelijk letsel toegebracht. De rechtbank legde een lagere straf op dan geëist door de officier van justitie, omdat zij de mate van schuld minder ernstig achtte dan de officier had betoogd. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het was begaan, en de persoon van de verdachte. Ondanks de argumenten van de verdediging dat een ontzegging van de rijbevoegdheid de verdachte zwaar zou treffen, vond de rechtbank dat de verkeersveiligheid voorop stond. De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de griffier, en de rechtbank verklaarde dat de verdachte niet bewezen was verklaard van het primair meer of anders tenlastegelegde.

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN
STRAFVONNIS van de Meervoudige kamer in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 1969,
wonende [adres verdachte].
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 03 oktober 2006.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.P. Eujen, advocaat te Hoogeveen.
De officier van justitie mr. J. Hoekman acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:
* 240 uren werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis;
* 36 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
TENLASTELEGGING
De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat
verdachte op of omstreeks 29 oktober 2005 te Tiendeveen, gemeente Hoogeveen,
als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto),
daarmede rijdende over de weg, (de Haarweg), zich zodanig heeft gedragen dat
een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door
roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of
onoplettend, voornoemd motorrijtuig te besturen, nadat hij, verdachte, (kort)
daarvoor alcoholische drank had genuttigd (6- 8 glazen bier) en/of
rijdende over voornoemde weg (in de richting Tiendeveen) in een flauwe bocht
van die weg (gedeeltelijk) op de weghelft van het hem toegemoetkomende verkeer
heeft gereden en (daarbij) is op of aangereden tegen een hem, verdachte op dat
moment tegemoetkomende bromfiets, althans onvoldoende rechts heeft gehouden
waardoor een ander (de bestuurder van die bromfiets, genaamd [naam slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzeld bovenbeen en/of een gebroken arm,
of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte
of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van
alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een
onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de
Wegenverkeerswet 1994, 250 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek
te zijn, in ieder geval hoger bleek te zijn dan tweehonderdtwintig microgram
alcohol per liter uitgeademde lucht;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,
terzake dat
1) verdachte op of omstreeks 29 oktober 2006, te Tiendeveen, gemeente
Hoogeveen, als bestuurder van een voertuig (een motorrijtuig), dit heeft
bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte
van verdachtes adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 250 microgram alcohol per
liter uitgeademde lucht bleek te zijn, in ieder geval hoger bleek te zijn dan
tweehonderdtwintig microgram alcohol per liter uitgeademde lucht;
en/of
2) hij op of omstreeks 29 oktober 2005 te Tiendeveen, gemeente Hoogeveen, als
bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Haarweg,
nadat hij, verdachte, (kort) daarvoor alcoholische drank had genuttigd (6- 8
glazen bier) en rijdende over voornoemde weg (in de richting Tiendeveen) in
een flauwe bocht van die weg (gedeeltelijk) op de weghelft van het hem
toegemoetkomende verkeer heeft gereden en (daarbij) is op of aangereden tegen
een hem, verdachte op dat moment tegemoetkomende bromfiets, over voornoemde
weg heeft gereden (in de richting Tiendeveen) zonder daarbij voldoende rechts
te houden en (vervolgens) in een flauwe bocht (gedeeltelijk) op de weghelft
van het hem toegemoetkomende verkeer heeft gereden en (daarbij) is op of
aangereden tegen een hem, verdachte op dat moment tegemoetkomende bromfiets,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover
daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde
betekenis te zijn gebezigd;
Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.
BEWIJSMIDDELEN
Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.
Verweer ten aanzien van het bewijs
De raadsman van verdachte heeft -zoals in zijn pleitaantekeningen nader is verwoord- betoogd dat het proces-verbaal Verkeersongevallen Analyse voldoende kwaliteit ontbeert en derhalve niet als overtuigend bewijs kan worden gebruikt.
De rechtbank is van oordeel, dat de raadsman er niet in is geslaagd ook maar het begin van twijfel te zaaien met betrekking tot de kwaliteit van dit proces-verbaal, zodat het verweer van de raadsman wordt verworpen.
BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
verdachte op 29 oktober 2005 te Tiendeveen, gemeente Hoogeveen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Haarweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, voornoemd motorrijtuig te besturen, nadat hij alcoholische drank had genuttigd (6- 8 glazen bier) en rijdende over voornoemde weg (in de richting Tiendeveen) in een flauwe bocht van die weg gedeeltelijk op de weghelft van het hem toegemoetkomende verkeer
heeft gereden en daarbij is aangereden tegen een hem, verdachte, op dat moment tegemoetkomende bromfiets, waardoor een ander (de bestuurder van die bromfiets, genaamd [naam slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 250 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.
De verdachte zal van het primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
KWALIFICATIE
Het primair bewezen verklaarde levert op:
Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994,
strafbaar gesteld bij artikel 175 van het Wegenverkeerswet 1994.
STRAFBAARHEID
De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.
STRAFMOTIVERING
De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking:
- de aard en de ernst van het gepleegde feit;
- de omstandigheden waaronder dit feit is begaan;
- hetgeen de rechtbank omtrent de persoon van de verdachte is gebleken. De rechtbank heeft uit de houding van verdachte ter terechtzitting niet de indruk gekregen dat hij voldoende inziet dat alcolholgebruik de rijvaardigheid negatief kan beïnvloeden;
- het requisitoir van de officier van justitie;
- het pleidooi van de raadsman van verdachte;
- de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, waarbij het bij verdachte gemeten ademalcolholgehalte aan de uiterste ondergrens van de betrokken schijf van de oriëntatiepunten zit;
- de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 04 februari 2006, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld.
De rechtbank zal een straf opleggen die lager is dan de officier van justitie heeft geëist. Dit komt in belangrijke mate omdat de officier van justitie verdachte van roekeloosheid heeft beticht, terwijl de rechtbank uitgaat van een lichtere mate van schuld, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend.
De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke taakstraf geboden is.
De rechtbank is tevens van oordeel dat aan de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen gedeeltelijk onvoorwaardelijk moet worden ontzegd omdat verdachte, als verkeersdeelnemer, een aan zijn schuld te wijten zeer ernstig verkeersongeval heeft veroorzaakt, terwijl hij een personenauto bestuurde na gebruik van alcoholhoudende drank.
Door of namens de verdachte is aangevoerd dat een ontzegging van de rijbevoegdheid verdachte zwaar zal treffen, omdat hij zijn rijbewijs voor zijn beroepsuitoefening nodig heeft.
De rechtbank is echter van oordeel dat het belang van de verdachte niet opweegt tegen het belang van de verkeersveiligheid die door de verdachte in hoge mate in gevaar is gebracht.
TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN
De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a,14b,14c,22c,22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de artikelen 178 en 179 van Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING VAN DE RECHTBANK
De rechtbank verklaart bewezen dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot
een taakstraf bestaande uit 180 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.
De rechtbank ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijdsduur van 24 maanden waarvan een deel groot 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde bijkomende straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Münzebrock, voorzitter en mr. J.A.A.M. van Veen en mr. H.K. Elzinga, rechters in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 17 oktober 2006, zijnde mr. Elzinga buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.