ECLI:NL:RBASS:2000:AF0142

Rechtbank Assen

Datum uitspraak
30 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/144 R
Instantie
Rechtbank Assen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 301 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslag op goederen van andere echtgenoot kan niet worden opgeheven bij schuldsanering

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht het bodembeslag, gelegd door de belastingdienst op zijn inboedelgoederen, op te heffen. Dit bodembeslag werd gelegd op goederen die zich bevinden in de woning van verzoeker.

De rechtbank stelde vast dat verzoeker met uitsluiting van iedere gemeenschap is gehuwd en dat de goederen waarop het beslag is gelegd, toebehoren aan zijn echtgenote. Tevens is de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op verzoeker, maar niet op zijn echtgenote.

Op grond van artikel 301, derde lid, van de Faillissementswet kan de rechtbank alleen beslagen op tot de boedel behorende goederen laten vervallen. Aangezien de beslagen goederen niet tot de boedel behoren, komt het verzoek tot opheffing niet voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank wijst het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bodembeslag wordt afgewezen omdat het beslag is gelegd op goederen van de andere echtgenoot.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Assen
Beschikking van de Eerste enkelvoudige kamer in de zaak van:
X. ,
wonende te P.,
verzoeker.
Overwegingen
1. Het procesverloop
1.1 Verzoeker heeft de rechtbank bij verzoekschrift d.d. 12 mei verzocht het door de belastingdienst ten laste van hem gelegde bodembeslag op te heffen. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 30 mei 2000.
2. De relevante feiten
2.1 Bij vonnis van heden heeft de rechtbank de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoeker uitgesproken.
2.2 Verzoeker is met uitsluiting van iedere gemeenschap gehuwd met Y. Blijkens de akte van huwelijkse voorwaarden van 27 januari 1997 behoort de echtelijke woning en de inboedel toe aan mevrouw X. Op mevrouw X. is de schuldsaneringsregeling niet van toepassing.
2.3 De belastingdienst heeft op 10 mei 2000 bodembeslag gelegd op de inboedelgoederen die zich bevinden in de woning van verzoeker.
3. Beoordeling
3.1 Ingevolge artikel 301, derde lid, van de Faillissementswet kan de rechtbank, voordat de vastelling van het saneringsplan in kracht van gewijsde is gegaan, op verzoek van de schuldenaar een datum bepalen waarop de gelegde beslagen vervallen.
3.2 Uit het systeem van de wet vloeit voort dat deze bepaling alleen ziet op beslagen die gelegd zijn op tot de boedel behorende goederen, gelijk ook in faillissement het geval is (vgl ondermeer HR 10 april 1987, NJ 1987, 829).
Het gelegde bodembeslag betreft niet tot de boedel behorende oederen, namelijk goederen die toebehoren aan mevrouw X.
3.3 Uit het voorenstaande volgt dat het verzoek tot opheffing van het bodembeslag niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Beslissingen
De rechtbank:
Wijst het verzoek af.
Gegeven door mr. J.H. Kuiper, bijgestaan door H. Takens als griffier, en uitgesproken ter terechtzitting van dinsdag 30 mei 2000 en door de rechter en de griffier voornoemd ondertekend.