ECLI:NL:RBARN:2012:BY7656

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
16 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
233530
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:256 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling wegens onvoldoende grond

De Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar. De moeder gaf aan dat de vele wisselingen van gezinsvoogden en het gebrek aan klik met de huidige gezinsvoogd het voor haar en de minderjarige onrustig maakten, en zij wilde geen nieuwe werkrelatie aangaan. Tevens was de relatie met de vader verslechterd door de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter stelde vast dat twee van de drie ontwikkelingsbedreigingen niet langer aanwezig waren. De moeder was verhuisd naar de woning van haar moeder en kon de lasten dragen, de minderjarige kon de basisschool afmaken, de fysieke conditie van de minderjarige was verbeterd en de moeder was gestart met een opleiding. De resterende bedreiging betrof de gebrekkige communicatie tussen de ouders, wat een loyaliteitsconflict bij de minderjarige kon veroorzaken.

De kinderrechter oordeelde dat de wisseling van gezinsvoogden op zichzelf geen reden was om verlenging af te wijzen, maar dat tegen de ernst van de resterende bedreiging onvoldoende rechtvaardiging bestond om tegen de wil van de moeder een nieuwe werkrelatie op te starten. De ouders hielden zich aan de omgangsafspraken en er waren geen duidelijke signalen dat de minderjarige knel zat tussen de ouders. Daarom werd het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens het ontbreken van voldoende grond voor verlenging.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Sector Familie en Jeugd
Zaakgegevens: [zaaknummer]
Datum uitspraak: 16 oktober 2012
beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
DE STICHTING BUREAUS JEUGDZORG GELDERLAND, locatie Tiel,
hierna te noemen de stichting,
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
hierna te noemen de minderjarige.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] (de moeder),
wonende te [woonplaats],
[adres],
[de vader] (de vader),
wonende te [woonplaats],
[adres].
Het procesverloop
Gezien de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlage(n) van de stichting van 22 augustus 2012, ingekomen ter griffie op 28 augustus 2012.
Op 2 oktober 2012 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord daarbij zijn:
- [de moeder],
- een vertegenwoordigster van de stichting.
Opgeroepen en niet verschenen is:
- [de vader].
De feiten
Bij beschikking van 17 april 2012 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd tot 20 oktober 2012.
Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders.
Het verzoek
De stichting heeft verzocht de ondertoezichtstelling van de minderjarige te verlengen voor de duur van een jaar.
Het standpunt van belanghebbende
De moeder heeft naar voren gebracht dat het voor haar en de minderjarige erg onrustig is, telkens aan een nieuwe gezinsvoogd haar verhaal te moeten doen. De huidige gezinsvoogd is er sinds mei 2012 en de moeder ervaart niet echt een klik. Dit is de reden dat zij niet opnieuw een werkrelatie wil starten met de inmiddels vierde of vijfde gezinsvoogd.
Tevens brengt de moeder naar voren dat de relatie met de vader is verslechterd door de ondertoezichtstelling. Alles wordt door hem aangegrepen om te rapporteren. Zij verwacht dat de verhoudingen zullen verbeteren als de maatregel niet verlengd wordt. De omgangscontacten zijn duidelijk bepaald en daar houden de ouders zich aan.
De beoordeling
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn (artikel 1:256 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek).
De kinderrechter zal de verlenging van de ondertoezichtstelling afwijzen, aangezien twee van de drie genoemde ontwikkelingsbedreigingen niet langer aanwezig zijn. De moeder heeft aangegeven dat zij vanwege het verbreken van haar relatie is verhuisd naar de woning van haar moeder. Zij is in staat om de lasten hiervan op te brengen en is niet van zins om weer te verhuizen. De minderjarige zal de huidige basisschool kunnen afmaken. De verhouding gewicht/lengte van de minderjarige is verbeterd en de moeder let op voldoende beweging van de minderjarige. Tevens is zij de opleiding gestart voor diëtiste. De minderjarige is in de lengte gegroeid, waardoor zij minder stevig is dan voorheen. Blijft over de gebrekkige communicatie tussen de ouders, waardoor de minderjarige met een loyaliteitsconflict wordt belast.
De kinderrechter acht in het algemeen wisseling van gezinsvoogden geen legitieme reden om een verlenging af te wijzen. Maar afwegende tegen de ernst van de nog resterende ontwikkelingsbedreiging wordt onvoldoende rechtvaardiging gevonden voor het tegen de zin van moeder in opnieuw op gang brengen van een werkrelatie. De ingezette middelen zijn namelijk gezinsvoogd gerelateerd. Immers middels gesprekken wil de gezinsvoogd de moeder meer inzicht geven in de effecten van een loyaliteitsconflict en wil zij de vader eveneens duidelijk maken wat zijn houding teweegbrengt. Nu ouders echter wel in staat zijn om de afspraken over contact tussen de vader en de minderjarige na te komen en er geen duidelijke signalen zijn van een kind dat knel zit tussen de ouders, is er onvoldoende grond voor een verlenging van deze kinderbeschermingsmaatregel.
De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema, kinderrechter, in tegenwoordigheid van M.L. Waanders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2012
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof te Arnhem.