ECLI:NL:RBARN:2012:BY2915
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindigingsovereenkomst V.O.F. en geschil over schuld en nakoming
Partijen waren vennoten in een V.O.F. die per 30 september 2007 werd ontbonden. Op 8 november 2007 sloten zij een beëindigingsovereenkomst waarin gedaagde een schuld van €50.000 aan eiser erkende. Na ontbinding ontstond een rekening-courantverhouding met een saldo van €65.727,75 ten laste van gedaagde.
Gedaagde stelde dat de overeenkomst ongeldig was wegens bedrog en dwaling, omdat hij de verklaring ongezien had getekend en niet was gewezen op stille reserves, goodwill en fiscale naheffing. Ook stelde hij dat eiser tekort was geschoten in een inspanningsverbintenis om een hypotheek te beëindigen, en vorderde aanvullende betalingen voor werkzaamheden tijdens ziekte.
De rechtbank oordeelde dat de akte dwingend bewijs leverde van de overeenkomst en dat gedaagde onvoldoende tegenbewijs leverde. Bedrog werd verworpen omdat geen opzettelijk verzwijgen kon worden vastgesteld en de accountant de cijfers opstelde. Ook werd dwaling afgewezen omdat gedaagde bewust de afwikkeling aan eiser en de accountant overliet. De vorderingen tot aanvullende betalingen en ontbinding werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van €65.727,75 met contractuele en wettelijke rente en wees de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af wegens onvoldoende bewijs. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van €65.727,75 met rente, overige vorderingen zijn afgewezen.