ECLI:NL:RBARN:2012:BX0581

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
5 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/730802-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 67a lid 2 SvArt. 67a lid 3 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot inbewaringstelling wegens onvoldoende gronden

De rechtbank Arnhem heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris, die de vordering tot inbewaringstelling van verdachte had afgewezen. De rechter-commissaris motiveerde de afwijzing met het ontbreken van een geldige grond voor voorlopige hechtenis, ondanks de ernst van de bezwaren.

De rechtbank overwoog dat het feit waarvan verdachte wordt verdacht, overtreding van artikel 300 Sr Pro, niet uitsluit dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 67a lid 2 onder 2 Sv. De wetsgeschiedenis ondersteunt dat de genoemde misdrijven onder het bereik van deze bepaling vallen. De afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling was daarom op een onjuiste grond gebaseerd.

Desalniettemin oordeelde de rechtbank dat er op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet ernstig rekening moet worden gehouden met het plegen van een nieuw misdrijf door verdachte dat de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar brengt. Ook gelden geen andere gronden voor voorlopige hechtenis. Daarom verklaarde de rechtbank het hoger beroep ongegrond en bevestigde de beslissing van de rechter-commissaris op andere gronden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling wordt bevestigd.

Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector Strafrecht Raadkamer
Parketnummer: 05/730802-12 Rolnummer : 10
De rechtbank heeft kennis genomen van het door de officier van justitie ingestelde appel tegen de beschikking van 15 juni 2012 van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit arrondissement in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum en plaats] wonende te [adres]
bij welke beschikking de rechter-commissaris de vordering tot inbewaringstelling heeft afgewezen.
In raadkamer van 5 juli 2012 zijn de officier van justitie en verdachte, bijgestaan door mr. J.A. Schadd, gehoord.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken. De raadkamer overweegt het volgende.
De rechter-commissaris heeft de afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling als volgt gemotiveerd:
"overwegende:
dat er weliswaar sprake is van ernstige bezwaren maar dat de grond voor de voorlopige hechtenis ontbreekt.
Betrokkene wordt verdacht van artikel 300 Sr Pro. In artikel 67a lid 2, onder 2, Sv. is als grond voor de voorlopige hechtenis opgenomen dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte een misdrijf begaat waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld of waardoor de veiligheid van de gezondheid of personen in gevaar kan worden gebracht, dan wel dat algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan. De wetgever heeft bij het tot stand brengen van deze bepaling zwaardere misdrijven voor ogen gehad dan het misdrijf omschreven in artikel 300 Sr Pro. Immers, als dat niet zo zou zijn geweest dan zou het overbodig zijn om in artikel 67a lid 2 onder 3 Sv artikel 300 Sr Pro expliciet op te nemen. Uit het onderhavige dossier blijkt dat er op geen enkele wijze ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat ernstiger is dan het misdrijf van artikel 300 Sr Pro, en/of waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Door de recidive grond
aan te nemen zoals de officier van justitie in de vordering vermeldt, wordt de inhoud van artikel 67 lid 2 sub Pro 3 omzeild."
De rechtbank is anders dan de rechter-commissaris van oordeel dat het feit waarvan betrokkene wordt verdacht, te weten overtreding van artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht, toepassing van het gestelde onder artikel 67a, tweede lid, onder 2, niet in de weg staat. De wettekst van artikel 67a, derde lid, onder 3, van het Wetboek van Strafvordering kent een complementair karakter ten aanzien van het onder 2 gestelde van dit wetsartikel.
De wetsgeschiedenis (TK 28980, nrs. 3 en 5) biedt geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de misdrijven die in artikel 67a, derde lid, onder 3, van het Wetboek van Strafvordering genoemd worden, niet (langer) onder het bereik van sub 2 van genoemd artikellid vallen.
De vordering tot inbewaringstelling is dan ook op een onjuiste grond afgewezen.
Het voorgaande leidt echter niet tot een gegrondverklaring van het hoger beroep. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank van oordeel dat er niet ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Evenmin is één van de andere gronden van artikel 67a, derde lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.
De raadkamer heeft de betrekkelijke wetsartikelen in acht genomen. BESLISSENDE
Verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de beslissing van de rechter-commissaris van 5 juli 2012 (12/812) op andere gronden.
Aldus gegeven te Arnhem op 5 juli door mrs. J.T.H. van Belzen als voorzitter,
J.P.M. Schwillens en J.J. Catsburg, rechters, in het bijzijn P. Willems als griffier.