ECLI:NL:RBARN:2012:BX0581
Rechtbank Arnhem
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot inbewaringstelling wegens onvoldoende gronden
De rechtbank Arnhem heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris, die de vordering tot inbewaringstelling van verdachte had afgewezen. De rechter-commissaris motiveerde de afwijzing met het ontbreken van een geldige grond voor voorlopige hechtenis, ondanks de ernst van de bezwaren.
De rechtbank overwoog dat het feit waarvan verdachte wordt verdacht, overtreding van artikel 300 Sr Pro, niet uitsluit dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 67a lid 2 onder 2 Sv. De wetsgeschiedenis ondersteunt dat de genoemde misdrijven onder het bereik van deze bepaling vallen. De afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling was daarom op een onjuiste grond gebaseerd.
Desalniettemin oordeelde de rechtbank dat er op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet ernstig rekening moet worden gehouden met het plegen van een nieuw misdrijf door verdachte dat de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar brengt. Ook gelden geen andere gronden voor voorlopige hechtenis. Daarom verklaarde de rechtbank het hoger beroep ongegrond en bevestigde de beslissing van de rechter-commissaris op andere gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling wordt bevestigd.