ECLI:NL:RBARN:2012:BW6709
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en veroordeling in zaak FCIB N.V. wegens overtreding toezichtwetgeving en Wet MOT
De rechtbank Arnhem behandelde de zaak tegen verdachte in verband met haar rol binnen FCIB N.V. en de gerelateerde ondernemingen. Verdachte werd primair beschuldigd van het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling (artikel 6 Wtk Pro 1992), deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr Pro), en het niet melden van ongebruikelijke transacties (artikel 9 Wet Pro MOT). Subsidiair werd overtreding van artikel 38 Wtk Pro 1992 ten laste gelegd.
De rechtbank verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging, die stelde dat het onderzoek berustte op onjuiste en onvoldoende geverifieerde informatie. De rechtbank oordeelde dat er voldoende redelijke verdenking bestond en dat het Openbaar Ministerie rechtmatig had gehandeld. De feiten werden uitgebreid onderzocht, waarbij onder meer de activiteiten van FCIB N.V. en TWOCC B.V. in Berg en Dal werden geanalyseerd. De rechtbank concludeerde dat FCIB N.V. via een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefende zonder vergunning, en dat verdachte hieraan feitelijk leiding gaf.
Ten aanzien van de niet gemelde ongebruikelijke transacties stelde de rechtbank vast dat FCIB N.V. ondanks eerdere meldingen aan het meldpunt op Curaçao, naliet meldingen te doen bij het Nederlandse meldpunt MOT. De transacties betroffen grote bedragen en vertoonden kenmerken die vermoedens van witwassen opriepen. Verdachte had opzet op deze overtreding. De rechtbank sprak verdachte vrij van deelname aan een criminele organisatie, omdat onvoldoende bewijs was voor een crimineel oogmerk van het samenwerkingsverband.
De strafmaat werd vastgesteld op een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan de uitvoering werd opgelegd voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een geldboete van €327.000,-. De rechtbank motiveerde de straf met de ernst van de feiten, de omvang van de bedragen en het feit dat niet alle tenlastegelegde feiten bewezen konden worden. De uitspraak werd gedaan op 24 mei 2012 na uitgebreide zittingen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van €327.000 wegens het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling via een bijkantoor en het niet melden van ongebruikelijke transacties.