ECLI:NL:RBARN:2012:BW1282

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
26 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Rek 12/374
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord aan schuldeiser in schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en tegelijkertijd verzocht om de Nederlandse Energie Maatschappij (NEM), een schuldeiser die niet instemde met het schuldregelingvoorstel, te verplichten tot instemming met een dwangakkoord volgens artikel 287a Faillissementswet.

De NEM bezit een vordering van circa €1.942,40 en vertegenwoordigt 4,23% van de totale schuld van €46.551,21. Achttien van de negentien schuldeisers gingen akkoord met het voorstel dat een betaling van 13,74% van de totale schuld inhoudt. De schuldregeling is voorbereid door een onafhankelijke schuldhulpverlener en goed gedocumenteerd.

Echter blijkt uit het dossier dat de dochter van verzoeker mogelijk geld heeft verduisterd van de uitkering van verzoeker, wat een mogelijke vordering en actief vormt dat niet in het voorstel is meegenomen. Ook is onduidelijk of verzoeker ten onrechte toeslagen heeft ontvangen die niet aan hem toekwamen. Hierdoor is niet aannemelijk dat het voorstel het uiterste is wat verzoeker financieel kan bieden.

De rechtbank oordeelt dat de weigerachtige schuldeiser in redelijkheid tot weigering kon komen en wijst het verzoek tot dwangakkoord af. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal bij afzonderlijk vonnis worden behandeld.

Uitkomst: Het verzoek tot oplegging van de schuldregeling aan de weigerachtige schuldeiser is afgewezen.

Uitspraak

Vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
rekestnummer: Rek 12/374
uitspraakdatum: 26 maart 2012
Verzoek gedwongen schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet
in de zaak van [verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker.
1. De procedure
1.1 Verzoeker heeft bij de rechtbank op 8 maart 2012 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Daarbij is tevens verzocht om de weigerachtige schuldeiser, de Nederlandse Energie Maatschappij (hierna: de NEM), te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet.
1.2 Verzoeker is door de rechtbank gehoord ter terechtzitting van 20 maart 2012. Tevens was mevrouw [betrokkene], schuldhulpverlener van PLANgroep Rijnwaarden, die het minnelijk traject heeft uitgevoerd, ter terechtzitting aanwezig. Namens de NEM, die niet met het voorstel heeft ingestemd, is niemand verschenen.
2. De feiten
2.1 Het verzoek betreft het opleggen van een schuldregeling aan de NEM, inhoudende een betaling van 13,74 % van de totale vordering tegen finale kwijting.
2.2 Het aanbod betreft een prognose en houdt in dat verzoeker drie jaar lang alle inkomsten boven het (conform de uniforme rekenmethode van Recofa) vastgestelde vrij te laten bedrag reserveert voor de schuldeisers. Het gereserveerde bedrag wordt elk jaar (drie keer in totaal) aan de schuldeisers uitgekeerd. Voor deze werkzaamheden worden door Plangroep geen kosten in rekening gebracht.
2.3 Verzoeker staat sinds 20 december 2011 onder beschermingsbewind bij Obin B.V.. De kosten van het beschermingsbewind worden betaald met de bijzonder bijstand van de gemeente Rijnwaarden. Verzoeker is volledig afgekeurd voor werk wegens medische klachten (hart, lever en nierklachten) en ontvangt een WAO-uitkering.
2.4 De NEM is met bovengenoemd voorstel niet akkoord gegaan, zonder een reden van weigering aan te geven, met dien verstande dan dat zij heeft meegedeeld in het bezit te zijn van een vonnis omtrent hun vordering. NEM heeft in de loop van 2011 beslag gelegd op de WAO-uitkering van verzoeker. Dit beslag ligt daar nog steeds op.
2.5 De totale schuldenlast van verzoeker bedraagt € 46.551,21. Er zijn in totaal 19 concurrente schuldeisers. De vordering van de NEM bedraagt (laatstelijk) € 1.942,40 en beslaat circa 4,23 % van de totale schuld. 18 van de 19 schuldeisers gaan akkoord met de aangeboden schuldregeling; zij vertegenwoordigen 95,77 % van de totale schuldenlast.
3. De beoordeling van het verzoek
3.1 Het verzoek tot het opleggen van deze schuldregeling aan de NEM dient op grond van het bepaalde in lid 5 van art. 287a van de Failllissementswet te worden toegewezen indien de weigerachtige schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
3.2 Allereerst is de vraag of het voorstel goed is gedocumenteerd en of voldoende duidelijk is dat het bod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht. De schuldregeling is door PLANgroep Rijnwaarden voorbereid en getoetst, dit betreft derhalve een onafhankelijke partij. Het verzoek is voorts goed onderbouwd en gedocumenteerd.
3.3 Vastgesteld moet echter worden dat het aanbod aan de schuldeisers niet het uiterste is waartoe hij in staat moeten worden geacht. Weliswaar is het voorstel goed gedocumenteerd en lijkt de uitdeling aan de schuldeisers in beginsel hoger dan een in een wettelijke schuldsaneringsregeling te verwachten uitdeling omdat er geen kosten door de gemeente/PLANgroep Rijnwaarden in rekening worden gebracht, maar gebleken is dat de dochter van verzoeker gedurende enkele jaren de financiën van haar vader heeft beheerd. Volgens verzoeker heeft zij enkele maanden diens uitkering verduisterd (middels internetbankieren). Hiervan is strafrechtelijke aangifte gedaan door verzoeker. Dit betreft dus een mogelijke vordering en een mogelijk actief dat onder de schuldeisers verdeeld moet worden. Daarbij is in het aanbod geen rekening gehouden en evenmin is gebleken dat de schuldhulpverlener ter zake stappen zal ondernemen. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat het ook overigens de vraag is of de dochter het inkomen (en de belastingtoeslagen) steeds bij haar vader heeft gelaten. Gebleken is immers dat verzoeker over 2008, 2009 en 2010 - toen zij het beheer voerde - ten onrechte zorgtoeslag en woontoeslag ontving tot een bedrag van ruim € 7.000,-. Het is de vraag of verzoeker dit geld zelf heeft ontvangen.
3.4 Tegen de achtergrond van genoemde feiten en omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat de weigerachtige schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming kon komen. Het verzoek om de weigerachtige schuldeiser te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zal derhalve worden afgewezen.
3.5 Op het verzoek van verzoeker tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zal bij afzonderlijk vonnis per gelijke datum worden beslist.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1 wijst het verzoek af;
4.2 bepaalt dat op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen bij afzonderlijk vonnis zal worden beslist.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Engberts, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 26 maart 2012.