ECLI:NL:RBARN:2012:BV9039

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
23 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2074
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 lid 1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na einduitspraak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die zijn zaak behandelde, nadat de rechtbank Arnhem een einduitspraak had gedaan in zijn belastingzaak over het jaar 2008. De rechtbank had zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-volledige betaling van griffierecht, een beslissing die later in verzet werd bevestigd. Verzoeker betwistte de grondslag en stelde dat hij het griffierecht wel tijdig had voldaan.

Het wrakingsverzoek werd telefonisch ingediend na de uitspraak en schriftelijk bevestigd. De wrakingskamer overwoog dat volgens artikel 8:15 en Pro 8:16 Awb een wrakingsverzoek moet worden gedaan zodra de feiten bekend zijn, en dat de wet geen mogelijkheid biedt tot wraking na een einduitspraak. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast oordeelde de wrakingskamer dat bezwaren tegen de inhoud van een einduitspraak geen grond voor wraking vormen; daarvoor dient het rechtsmiddel van cassatie te worden gebruikt. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor beroep.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek omdat dit na de einduitspraak werd ingediend.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Wrakingskamer
registratienummer: AWB 11/2074
Beschikking van 23 februari 2012
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
en
[rechter],
in haar hoedanigheid van rechter in de zaak van verzoeker tegen de inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem (registratienummer AWB 11/2074).
1. De procedure
1.1. Op 26 januari 2012 heeft verzoeker telefonisch een wrakingsverzoek ingediend tegen [rechter]. Bij brief van 27 januari 2012 heeft hij dit wrakingsverzoek schriftelijk bevestigd, waarna hij op 17 februari 2012 nog een korte nadere schriftelijke toelichting heeft gegeven.
1.2. Bij schrijven van 7 februari 2012 heeft mr. I. Linssen namens [rechter] haar zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet. Tevens heeft mr. Linssen aangegeven dat zij niet namens [rechter] op het wrakingsverzoek wenst te worden gehoord en dat zij niet bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig zal zijn.
1.3. Op 23 februari 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verzoeker is daarbij verschenen.
1.4. Ten slotte is ter zitting van 23 februari 2012 mondeling uitspraak gedaan. De uitspraak en de motivering daarvan, alsmede de feiten waarvan de wrakingskamer daarbij is uitgegaan, zijn in deze beschikking vastgelegd.
2. Het wrakingsverzoek en het verweer
2.1. De inspecteur van de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem (hierna: de inspecteur),
heeft aan verzoeker voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar van 22 april 2011 heeft de inspecteur het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Het hiertegen door verzoeker ingestelde beroep is door de rechtbank Arnhem op 4 oktober 2011 met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Van deze beslissing is verzoeker in verzet gekomen. Op 26 januari 2012 heeft de rechtbank Arnhem ([rechter]) geoordeeld dat het beroep terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het verschuldigde griffierecht niet volledig is voldaan. Met toepassing van artikel 8:55 Awb Pro is het verzet vervolgens ongegrond verklaard. Nadat verzoeker op 26 januari 2012 telefonisch van deze uitspraak heeft kennisgenomen, heeft hij [rechter] gewraakt. Volgens verzoeker had [rechter] niet alleen mogen afgaan op artikel 8:54 Awb Pro en is de uitspraak om die reden niet volledig. Bovendien is hij van mening dat hij het verschuldigde griffierecht wel tijdig en volledig heeft voldaan, zodat de zaak inhoudelijk had moeten worden behandeld.
2.2. Mr. Linssen stelt namens [rechter] dat het wrakingsverzoek te laat, want na de uitspraak, is gedaan.
3. De beoordeling
3.1. Ingevolge artikel 8:15 Awb Pro kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Artikel 8:16 lid 1 Awb Pro bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.2. Vast staat dat het verzoek tot wraking is gedaan nadat in de desbetreffende zaak van verzoeker einduitspraak is gedaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze uitspraak heeft gedaan. Reeds om deze reden dient verzoeker in zijn wrakingsverzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.3. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer nog dat de bezwaren van verzoeker zich met name richten tegen de inhoud van de betreffende einduitspraak. Dergelijke bezwaren kunnen evenwel geen grond voor wraking opleveren. Verzoeker dient hiervoor het tegen de einduitspraak openstaande rechtsmiddel van cassatie aan te wenden.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.J. Wiegman (voorzitter), J.T.H. van Belzen en
G. Noordraven in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2012.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.