ECLI:NL:RBARN:2012:BV7315

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
29 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/702316-10
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van brandstichting in eigen woning door verdachte

Op 29 februari 2012 heeft de Rechtbank Arnhem uitspraak gedaan in de zaak tegen een 36-jarige man uit Arnhem, die werd beschuldigd van brandstichting in zijn eigen woning op 8 juli 2010. De tenlastelegging hield in dat de verdachte opzettelijk brand had gesticht in een appartementencomplex door benzine over een vloerkleed en andere brandbare stoffen te gieten en deze aan te steken. Tijdens de zitting op 15 februari 2012 heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd, en de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat mr. E.P. Vroegh, heeft zijn verdediging gevoerd. De rechtbank heeft, na het horen van de argumenten van de officier van justitie en de verdediging, geconcludeerd dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte wettig en overtuigend schuldig te verklaren. De rechtbank heeft de verdachte dan ook vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.

Daarnaast heeft de rechtbank zich gebogen over de vorderingen van de benadeelde partijen, die schadevergoeding vroegen. Aangezien er geen straf of maatregel aan de verdachte werd opgelegd, heeft de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De rechtbank heeft de beslissing genomen om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, waarbij de voorzitter en de andere rechters de zaak hebben beoordeeld en de griffier aanwezig was. De rechtbank heeft in haar overwegingen benadrukt dat de verklaring van de verdachte niet zonder twijfel kon worden weerlegd, waardoor de toedracht van de brand te vaag bleef om tot een veroordeling te komen.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector strafrecht
Meervoudige kamer
Promis II
Parketnummer : 05/702316-10
Data zittingen : 15 oktober 2010, 5 januari 2011, 20 juli 2011, 23 november 2011 en 15
februari 2012
Datum uitspraak : 29 februari 2012
Tegenspraak
In de zaak van
de officier van justitie in het arrondissement Arnhem
tegen:
naam : [verdachte],
geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],
adres : [adres],
plaats : [woonplaats]
Raadsvrouw : mr. E.P. Vroegh, advocaat te Haarlem.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 08 juli 2010 te Arnhem opzettelijk brand heeft gesticht in een appartementencomplex (gelegen aan de [adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans (een) brandbare stof(fen), over en/of bij een vloerkleed en/of in een wandkast in een (kinder)slaapkamer en/of in beddengoed en/of een matras in een (ouder)slaapkamer in een appartement gelegen aan de [adres], gegoten/gesprenkeld en/of vervolgens die benzine, althans die brandstof aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan dat appartement, althans de vloerbedekking in/van dat appartement, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voormeld appartement en/of de belendende appartementen en/of dat appartementencomplex, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoners van voormeld appartement en/of de bewoners van belendende appartementen en/of bewoners van dat appartementencomplex, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;
2. Het onderzoek ter terechtzitting
De zaak is laatstelijk op 15 februari 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E.P. Vroegh, advocaat te Haarlem.
Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:
• B. [benadeelde partij1]
• D. [benadeelde partij2]
De officier van justitie heeft vrijspraak gevraagd.
Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.
3. De beslissing inzake het bewijs
De rechtbank acht, net als de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.
De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.
Verdachte heeft ontkend de brand te hebben aangestoken en heeft verklaard dat hij ten tijde van de brandstichting niet in zijn woning aanwezig was. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is verklaard door getuigen en verdachte, kan deze verklaring van verdachte niet zonder twijfel worden weerlegd. Al met al blijft de toedracht te vaag en is, hoewel ook niet sprake is van een aannemelijk alternatief scenario, met onvoldoende zekerheid vast te stellen wat dan wel is gebeurd.
4. De beoordeling van de civiele vorderingen
De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.
Benadeelde partij [benadeelde partij1] vordert een bedrag van €633-, te vermeerderen met wettelijke rente.
Benadeelde partij [benadeelde partij2] vordert een bedrag van €558,-, te vermeerderen met wettelijke rente.
De rechtbank zal, nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd, noch artikel 9a van het wetboek van Strafrecht wordt toegepast, de benadeelde partij [benadeelde partij1] en de benadeelde partij [benadeelde partij2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering.
5. De beslissing
De rechtbank, rechtdoende:
Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.
Heft op het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van voornoemd.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij B. [benadeelde partij1].
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2].
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Aldus gewezen door mr. L.C.P. Goossens, als voorzitter, mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. M. van der Linde, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J. Elferink-van Vliet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 februari 2012.