Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
“(…)
Rechtbank Arnhem
Eiser is geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 2000, waarbij een deel van de omzet niet in de administratie was opgenomen en contant naar het buitenland was gebracht. De inspecteur heeft de aanslag opgelegd binnen de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar, zoals bepaald in artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR).
Eiser betwist de tijdigheid van de navorderingsaanslag en voert aan dat de inspecteur evenveel moeite zou moeten hebben om contant gehouden omzet in Nederland te achterhalen als buitenlandse tegoeden. Daarnaast stelt eiser dat de termijn van artikel 7:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is overschreden en dat de bezwaarfase niet voortvarend is afgehandeld, in strijd met het EG-verdrag.
De rechtbank oordeelt dat de verlengde navorderingstermijn terecht is toegepast omdat de inkomsten naar het buitenland zijn overgebracht. De inspecteur beschikt in Nederland over meer controlebevoegdheden dan in het buitenland, waardoor het beroep op gelijke behandeling faalt. Ook is overschrijding van de Awb-termijn geen reden voor vernietiging van de aanslag. De jurisprudentie over voortvarendheid bij het opleggen van navorderingsaanslagen is niet van toepassing op de bezwaarfase. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2000 wordt ongegrond verklaard.