ECLI:NL:RBARN:2011:BV8157
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kennelijk onredelijk ontslag wegens bedrijfsbeëindiging bij kleine onderneming
De werknemer was sinds 1998 in dienst bij de werkgever, werkzaam als coupeuse/verkoopster. De werkgever vroeg twee keer ontslagvergunningen aan bij het UWV vanwege bedrijfseconomische redenen, met het oog op de beëindiging van de onderneming per 1 januari 2011. De werknemer voerde verweer tegen deze ontslagaanvragen en stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was.
De kantonrechter beoordeelde of het ontslag was gebaseerd op een voorgewende of valse reden en of de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te ernstig waren in verhouding tot het belang van de werkgever. De werknemer stelde dat de gezondheidsproblemen van de echtgenote van de werkgever als reden werden genoemd, terwijl de onderneming feitelijk door haar werd gedreven. De werkgever stelde dat de combinatie van gezondheidsproblemen en slechte financiële situatie leidde tot de bedrijfsbeëindiging.
De kantonrechter vond dat de werkgever voldoende aannemelijk had gemaakt dat het ontslag op redelijke gronden was gebaseerd. Ook de belangenafweging, waarbij rekening werd gehouden met de leeftijd van de werknemer, haar arbeidsverleden en de moeilijke arbeidsmarktpositie, leidde tot de conclusie dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. Het ontbreken van een outplacementtraject werd niet als verwijtbaar gezien, gelet op de kleine onderneming en de ziekte van de werknemer. De werknemer had ook onvoldoende gebruik gemaakt van de door de werkgever geboden mogelijkheden voor ander werk.
De vorderingen van de werknemer werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten van de werkgever.
Uitkomst: Het ontslag wegens bedrijfsbeëindiging is niet kennelijk onredelijk; vorderingen werknemer worden afgewezen.