Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBARN:2011:BV7100

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
29 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/471
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 WWArt. 35aa WWArt. 8:75 AwbArt. 8:77 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van inkomstenverrekening op WW-uitkering ondanks financieel nadeel

Eiseres ontvangt een WW-uitkering en verweerder heeft een deel van haar inkomsten uit arbeid verrekend met deze uitkering volgens de inkomstenaftrekregeling. Eiseres betoogt dat in haar geval de voorheen geldende urenaftrek toegepast had moeten worden omdat de inkomstenaftrek voor haar financieel nadelig uitpakt. Zij stelt dat de regeling uitkeringsgerechtigden niet mag benadelen en dat de toepassing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod.

De rechtbank oordeelt dat uit de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging blijkt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor inkomstenverrekening bij langdurig werklozen, ook al kan dit in sommige gevallen financieel nadelig zijn. Dit systeem is bedoeld om werkhervatting te stimuleren en is een bewuste beleidskeuze die gerespecteerd moet worden. Toetsing aan het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod is niet toegestaan omdat het hier gaat om een formele wetsbepaling.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de toepassing van de inkomstenaftrekregeling rechtmatig is. Er is geen sprake van verboden discriminatie en de belangenafweging van de wetgever is voldoende objectief en redelijk. Het beroep wordt daarom verworpen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de inkomstenverrekening op haar WW-uitkering wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 11/471
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van
inzake
[naam], eiseres,
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr.drs. S.J. Brunia,
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 27 december 2010, uitgereikt door UWV Arnhem.
2. Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat een deel van haar inkomsten wordt verrekend met de aan haar op grond van de Werkloosheidswet (hierna: de WW) toegekende uitkering en dat de betaling van de WW-uitkering wordt omgezet in een voorschotbetaling.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 augustus 2011.
Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Smid.
3. Overwegingen
Eiseres ontvangt een WW-uitkering, berekend naar een omvang van 13,72 uren per week. Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat wegens door haar (vanaf 21 september 2010) verrichtte werkzaamheden een deel van de daaruit voortvloeiende inkomsten (70% van het gemiddelde SV-loon) in mindering zal worden gebracht op haar WW-uitkering.
In beroep heeft eiseres aangevoerd dat op haar niet de inkomstenaftrek, die voor haar ongunstig is, maar de voorheen geldende urenaftrek dient te worden toegepast. Daartoe heeft eiseres betoogd dat het niet de bedoeling is geweest van de inkomstenaftrekregeling om uitkeringsgerechtigden te benadelen. Volgens eiseres levert een letterlijke uitleg en toepassing van de terzake geldende wettelijke bepalingen een inbreuk op met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod, neergelegd in de Grondwet en verdragen, zoals het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is bepaald dat het recht op uitkering eindigt voor zover de werknemer niet langer werkloos is.
Ingevolge artikel 20, derde lid, van de WW eindigt voor de werknemer, op wie het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is, het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht dan wel ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren.
Ingevolge artikel 20, zesde lid, aanhef en onder b, van de WW is het eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing op de werknemer, die ten minste 52 weken onafgebroken recht op uitkering heeft gehad, mits de werknemer werkzaamheden als werknemer gaat verrichten op een moment waarop sprake is van volledig verlies van zijn arbeidsuren terwijl geen recht bestaat op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.
In artikel 35aa, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is, voor zover van belang, bepaald dat de uitkering met 70% van de inkomsten uit arbeid wordt verminderd indien artikel 20, zesde lid, onderdeel b, van toepassing is.
Niet betwist is dat eiseres voldoet aan de voorwaarden, neergelegd in artikel 20, zesde lid, aanhef en onder b, van de WW. Gelet op de imperatieve formulering van artikel 35aa van de WW was verweerder derhalve gehouden om 70% van de inkomsten uit arbeid in mindering te brengen op de aan eiseres toegekende WW-uitkering.
Verweerder heeft bevestigd dat toepassing van de inkomstenaftrek ten opzichte van de urenaftrek voor eiseres een (licht) financieel nadeel oplevert. Volgens eiseres is het niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever dat toepassing van de inkomstenaftrek uitkeringsgerechtigden financieel nadeel oplevert.
In de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel tot Wijziging van de WW in verband met het vergroten van kansen op werk voor langdurig werklozen (TK 2008-2009, 31 767
nr. 3), dat heeft geleid tot wijziging van artikel 20 en Pro 35aa van de WW, is tot uitdrukking gebracht dat de overstap op inkomstenverrekening bij werkhervatting na 52 weken werkloosheid voorkomt dat de werknemer een financieel nadeel lijdt door lager betaald werk te gaan verrichten. Werkhervatting levert de werknemer zodoende in alle gevallen een financieel voordeel op, ongeacht de hoogte van het nieuwe loon. Naar verwachting zal deze maatregel langdurig werklozen stimuleren om hun zoekactiviteiten sneller te richten op werk op een ander niveau en tegen een lager loon.
In sommige gevallen kan inkomstenverrekening (ten opzichte van de urenaftrek) een financieel nadeel opleveren. De Memorie van Toelichting vermeldt hieromtrent op pagina 7, 11 en 12 het volgende: ‘(...) Ten opzichte van de bestaande systematiek (arbeidsurenverlies) levert inkomstenverrekening bij werkhervatting meestal een financieel voordeel op. Een nadeel treedt slechts op als de langdurig werkloze in deeltijd gaat werken tegen een hoger (uur)loon dan waarop de uitkering is gebaseerd. Een dergelijke situatie zal zich bij langdurig werklozen naar verwachting niet vaak voordoen. De regering acht het daarom verantwoord om aan de invoering van inkomstenverrekening onmiddellijke werking te verlenen.’ (…) ‘In bijzondere gevallen kan inkomstenverrekening ten opzichte van de huidige systematiek een nadelig effect hebben. Dat kan het geval zijn als de werknemer hervat in deeltijdwerk en daarmee per uur een hoger loon verdient dan waarop de uitkering is gebaseerd. Een nadelig effect treedt vooral op als betrokkene met deeltijdwerk meer dan 87,5% van zijn oude loon gaat verdienen. Onder de huidige WW behoudt hij een deel van de WW-uitkering, als hij per week minstens vijf uren werkloos blijft. Het onderhavige wetsvoorstel leidt in dat geval tot een beëindiging van de WW-uitkering. De overstap op inkomstenverrekening voor de WW-gerechtigde is in deze situaties dus nadelig. De regering acht dit acceptabel. In de praktijk zal de voorgestelde wijziging voor langdurig werklozen in nagenoeg alle gevallen een voordelig effect hebben. De regering acht de kans dat een langdurig werkloze na werkhervatting in deeltijd meer dan 87,5% van zijn oude loon gaat verdienen, zeer klein.’
Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het onmiskenbaar de bedoeling van de wetgever is geweest om op langdurig werklozen bij werkhervatting inkomstenstenverrekening toe te passen. De wetgever heeft daarbij onder ogen gezien dat in sommige gevallen inkomstenverrekening, ten opzichte van de urenaftrek, tot een financieel nadeel kan leiden, maar desalniettemin voor dit systeem gekozen. De rechtbank heeft deze welbewuste keuze van de wetgever, gelet op artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen, te eerbiedigen.
Het betoog dat toepassing van de inkomstenaftrekregeling strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod als neergelegd in de Grondwet treft geen doel, nu toetsing van een (bepaling uit een) wet in formele zin aan de Grondwet ingevolge het bepaalde in artikel 120 van Pro de Grondwet niet is toegestaan. De rechtbank acht verder, voor zover al kan worden gesproken van ongelijke behandeling, in de hiervoor weergegeven achtergrond voldoende redelijke en objectieve rechtvaardiging gelegen voor deze door de wetgever gemaakte keuze. Van de door eiseres bedoelde verboden discriminatie is dan ook geen sprake.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Vermeulen, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. R. Barzilay, griffier.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op .
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: