ECLI:NL:RBARN:2011:BT8900
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende onderbouwde wijziging van retourprovisie arbeidsvoorwaarden leidt tot toewijzing achterstallige betaling
De werknemer was sinds 1983 in dienst bij GHW met een onderbreking en ontving retourprovisies op verzekeringspolissen die via de werkgever werden afgesloten. Tot 2001 werd de provisie volledig uitbetaald, daarna werd dit percentage verlaagd en werden bepaalde provisies niet meer betaald. De werkgever voerde aan dat de wijziging was doorgevoerd op basis van een wijzigingsbeding in een collectieve regeling, waartegen de werknemer bezwaar maakte.
De kantonrechter stelde vast dat onvoldoende was onderbouwd dat het personeelsreglement een wijzigingsbeding bevatte dat rechtszekerheid en kenbaarheid bood zoals vereist door het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2011. Ook ontbrak instemming van de werknemer met de wijziging en was de gewijzigde regeling niet consequent toegepast.
De werkgever kon geen zwaarwegend financieel belang aantonen dat de wijziging rechtvaardigde, terwijl de werknemer een substantieel deel van haar loon misliep. Daarom werd de wijziging als onaanvaardbaar beoordeeld op grond van redelijkheid en billijkheid. De werknemer kreeg derhalve recht op betaling van achterstallige retourprovisies over de periode 2004-2011, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
De vordering over jaren vóór 2004 werd afgewezen wegens verjaring. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter M.J. Blaisse en op 7 oktober 2011 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige retourprovisies over 2004-2011 met rente en kosten.