ECLI:NL:RBARN:2011:BT8274
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens geldig exclusief arbitragebeding
In deze zaak tussen Ravestein B.V. en L&M Keating Ltd. ging het om de vraag of de rechtbank bevoegd was om kennis te nemen van een geschil over openstaande facturen. Partijen hadden een overeenkomst gesloten met een uitgebreide geschillenregeling in artikel 13, waarin mediation, conciliation en uiteindelijk arbitrage via de Arbitration Court te Arnhem waren opgenomen.
Ravestein stelde dat het arbitragebeding niet exclusief was, mede omdat het woord 'may' in de bepaling stond en omdat de Metaalunievoorwaarden ook van toepassing waren, die de Nederlandse rechter als bevoegde instantie openlieten. L&M Keating betoogde dat het beding wel exclusief was en dat partijen dit zo hadden bedoeld, mede gelet op het feit dat arbitrage in het Engels zou plaatsvinden en vertrouwelijkheid gewaarborgd zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat het beding exclusief was, ondanks het gebruik van 'may', omdat de tekst en de context een exclusieve arbitrageregeling weerspiegelen. Het doorhalen van een zinsnede in het conceptcontract door L&M Keating werd niet als een redelijke grond gezien om de exclusiviteit te ontkennen. Ook het verweer van Ravestein dat het arbitrageinstituut niet zou bestaan, werd verworpen.
De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd en veroordeelde Ravestein in de proceskosten van zowel het incident als de hoofdzaak, omdat zij onnodig kosten had veroorzaakt door de zaak bij de rechter aanhangig te maken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd vanwege een geldig exclusief arbitragebeding en veroordeelt Ravestein in de proceskosten.