ECLI:NL:RBARN:2011:BP9314
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatig handelen bij aannemingsovereenkomst en financiering
In deze civiele procedure staat de vraag centraal of de bestuurders van Upperstream onrechtmatig hebben gehandeld jegens eiseres door opdrachten te verstrekken terwijl de financiële situatie van Upperstream ernstig verslechterd was. De rechtbank baseert zich op een deskundigenrapport dat concludeert dat de stichtingskosten en financiering bij het aangaan van de eerste overeenkomst in april 2008 redelijk waren, maar dat vanaf het vierde kwartaal van 2008 de situatie ingrijpend veranderde.
De deskundige stelt dat de bestuurder van Upperstream vanaf dat moment had moeten weten dat het aangaan van nieuwe verplichtingen een te hoge druk op de liquide middelen zou leggen, wat uiteindelijk tot faillissement leidde. De rechtbank past de Beklamelnorm toe en oordeelt dat ten aanzien van de eerste overeenkomst geen sprake is van onrechtmatig handelen, maar dat twijfel bestaat over de tweede overeenkomst van april 2009.
De rechtbank stelt vast dat bestuurders onrechtmatig hebben gehandeld door in april 2009 een opdracht te verstrekken, ondanks de verslechterde financiële situatie. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld om nadere toelichting te geven over de omvang van de schade, waarna de wederpartij kan reageren. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing over de schade.
De uitspraak benadrukt dat het niet alleen van belang is dat partijen op de hoogte waren van de financiële problemen, maar vooral of de bestuurder wist of redelijkerwijs niet hoefde te twijfelen aan het niet kunnen voldoen aan verplichtingen en het ontbreken van verhaal voor schade. De rechtbank concludeert dat dit bij de tweede overeenkomst het geval was, waardoor onrechtmatig handelen is komen vast te staan.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat bestuurders onrechtmatig handelden bij de opdracht in april 2009 en houdt de zaak aan voor nadere schadevaststelling.