ECLI:NL:RBARN:2011:BP9080
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verkrijgende verjaring erfdienstbaarheid van uitweg over oprit tussen percelen afgewezen wegens ontbreken goede trouw
De zaak betreft een geschil tussen buren over het recht van overpad over een oprit die tussen hun percelen ligt. Eisers vorderen een verklaring voor recht dat er sprake is van een erfdienstbaarheid van uitweg verkregen door verjaring op grond van artikel 3:99 BW Pro, alsmede een verbod op inbreuk daarop en het voorkomen van de plaatsing van een schutting.
De rechtbank overweegt dat verkrijgende verjaring van een erfdienstbaarheid op grond van artikel 3:99 BW Pro goede trouw vereist, welke eis door de gedaagde terecht wordt betwist. Hierdoor wordt het beroep op deze verkrijgende verjaring afgewezen. Echter, de rechtbank constateert ambtshalve dat op grond van artikel 3:105 lid 1 BW Pro een verkrijgende verjaring zonder vereiste van goede trouw kan worden vastgesteld, omdat de feitelijke situatie van het gebruik van de oprit sinds 1967 onbetwist is.
De rechtbank motiveert dat de oprit een zichtbaar en voortdurend grensoverschrijdend werk is dat het gebruik van de weg over en weer noodzakelijk maakt, zodat sprake is van bezit van een erfdienstbaarheid van uitweg. De gevorderde verklaring voor recht en het verbod op inbreuk daarop worden toegewezen, met een gemaximeerde dwangsom. Het gevorderde verbod tot verwijdering van een nog niet geplaatste schutting wordt afgewezen. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Erfdienstbaarheid van uitweg over oprit tussen percelen wordt ambtshalve vastgesteld en inbreuk daarop verboden met dwangsom.