ECLI:NL:RBARN:2010:BO2067
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing beslagvrije voet bij beslag op huurtoeslag door verhuurder
In deze zaak verzocht de huurder de kantonrechter om te bepalen dat bij het beslag op haar huurtoeslag de regels betreffende de beslagvrije voet van toepassing zijn. De huurder en haar partner ontvangen een bijstandsuitkering en huurtoeslag, maar door het beslag op de huurtoeslag kwamen zij maandelijks ver onder de beslagvrije voet uit, waardoor zij niet konden voorzien in hun minimale levensbehoefte.
De verhuurder had beslag gelegd op de huurtoeslag wegens achterstallige huurbetalingen. De kantonrechter overwoog dat de huurtoeslag als een vordering tot periodieke betaling kan worden aangemerkt en dat de beslagvrije voet op grond van artikel 475f Rv van toepassing moet zijn, omdat de schuldenaar onvoldoende andere middelen van bestaan heeft.
De beslagvrije voet werd opnieuw berekend, waarbij rekening werd gehouden met het inkomen inclusief vakantiegeld en de woonlasten. Dit leidde tot een hogere beslagvrije voet dan aanvankelijk was aangenomen. De kantonrechter bepaalde dat slechts een klein deel van de huurtoeslag onder het beslag valt, zodat de huurder voldoende inkomen behoudt om in haar levensonderhoud te voorzien.
Het verzoek om terugwerkende kracht werd afgewezen, en de verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten. Hiermee werd het beslag op de huurtoeslag beperkt om te voorkomen dat de huurder nieuwe schulden zou maken door het beslag.
Uitkomst: Bij beslag op huurtoeslag moet de beslagvrije voet worden toegepast, waardoor slechts €16,87 van de huurtoeslag onder het beslag valt.