ECLI:NL:RBARN:2010:BN1816

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
30 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
180157
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling lening en rente met proceskostenveroordeling

In deze civiele procedure vordert eiser de terugbetaling van een lening waarvan het bestaan door eerdere vonnissen is vastgesteld. Gedaagde is niet in zijn bewijs geslaagd om het tegendeel te bewijzen. De rechtbank bevestigt dat de lening moet worden terugbetaald.

Een geschilpunt betreft de ingangsdatum van de rente. Eiser stelt dat de rente vanaf 11 oktober 2007, de datum waarop het geld het vermogen van eiser verliet, moet worden berekend. De rechtbank oordeelt echter dat de rente pas vanaf de dagvaarding (20 januari 2009) gevorderd kan worden, omdat de lening toen formeel is opgezegd.

De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van €187.231,90 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 januari 2009 tot volledige betaling. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten, begroot op €9.859,98. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €187.231,90 met wettelijke rente vanaf 20 januari 2009 en in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 180157 / HA ZA 09-131
Vonnis van 30 juni 2010
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. drs. D. Vanícková te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. A. Hurenkamp te Wierden.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 maart 2010
- de akte van [eiser]
- de antwoordakte van [gedaagde].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1. In het vonnis van 24 maart 2010 is overwogen dat [gedaagde] niet in zijn bewijs is geslaagd en dat daarmee de lening waarvan het bestaan werd vermoed, vaststaat. Uit de vorige vonnissen volgt dat deze moet worden terugbetaald. Thans is nog aan de orde de vraag wanneer de lening is opgezegd en wat de ingangsdatum van de rente moet zijn.
2.2. [eiser] stelt zich op het standpunt dat als ingangsdatum van de rente heeft te gelden de dag waarop het geld het vermogen van Vaesen-[eiser]óva verliet, 11 oktober 2007. Terecht merkt [gedaagde] echter op dat niet de vraag wanneer een rentedragende lening is gaan lopen, maar de vraag wanneer de lening werd opgezegd of de rente werd gevorderd, aan de orde is.
2.3. Nu [eiser] geen andere datum noemt, heeft, zoals ook blijkt uit het vonnis van 24 maart 2010, de datum van dagvaarding te gelden als de datum waarop de lening is opgezegd. Daarbij is tevens rente gevorderd vanaf 11 oktober 2007, de datum waarvoor, zoals nu is vastgesteld, geen grond bestaat. De rechtbank zal daarom de rente beschouwen als – zoals niet ongebruikelijk is – te zijn gevorderd met ingang van de datum van dagvaarding en de vordering dienovereenkomstig toewijzen.
2.4. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 85,98
- vast recht 4.440,00
- getuigenkosten 334,00
- salaris advocaat 5.000,00 (2,5 punten × tarief € 2.000,00)
Totaal € 9.859,98
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 187.231,90 (éénhonderdzevenentachtigduizendtweehonderdeenendertig euro negentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf 20 januari 2009 tot de dag van volledige betaling,
3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 9.859,98,
3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.?