ECLI:NL:RBARN:2010:BM0589
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen totstandkoming maatschapsovereenkomst ondanks ondertekend bewijsstuk
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen eiser en gedaagde een maatschapsovereenkomst tot stand was gekomen. De rechtbank onderzocht de verklaringen van partijen en getuigen, waarbij bleek dat de akte van 8 januari 2005 vooral bedoeld was als bewijs voor de Orde van Advocaten dat er sprake was van samenwerking. Gedaagde had de akte niet grondig gelezen en was zich niet bewust van de volledige inhoud.
De rechtbank stelde vast dat de inhoud van de maatschapsovereenkomst nauwelijks was besproken en dat belangrijke elementen zoals de kostenverdeling ontbraken in de akte. Dit leidde tot het oordeel dat de ondertekende akte niet de werkelijke wil van partijen weerspiegelde om een maatschap aan te gaan.
Daarmee slaagde gedaagde in het tegenbewijs dat geen maatschapsovereenkomst was gesloten. De vordering van eiser wegens tekortkoming en onrechtmatig handelen werd afgewezen. De rechtbank gaf eiser de mogelijkheid om zijn vordering te herformuleren en met aangepaste stellingen voort te procederen, omdat partijen kennelijk wel op basis van een andere overeenkomst samenwerkten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af omdat geen maatschapsovereenkomst tot stand is gekomen en geeft eiser gelegenheid tot aanpassing van zijn onderbouwing.