ECLI:NL:RBARN:2010:BL2827

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
20 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
186739
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating van eiser tot voeging in civiele hoofdzaak tegen Mens & Werk Beheer

In deze civiele procedure verzocht eiser in het incident om toelating tot voeging aan de zijde van Mens & Werk Beheer in de hoofdzaak tegen eiseres. Eiseres voerde verweer tegen deze voeging, onder meer omdat zij stelde dat de procedure hierdoor zou vertragen en dat eiser geen belang zou hebben bij voeging.

De rechtbank overwoog dat het enkele feit dat voeging vertraging kan veroorzaken onvoldoende is om de vordering af te wijzen. Het belang van eiseres bij het voorkomen van vertraging weegt niet zwaarder dan het belang van eiser bij voeging. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiser een voldoende belang heeft bij voeging, nu hij de helft van de aandelen in Mens & Werk Beheer bezit en directeur is van deze vennootschap.

De rechtbank verwierp het verweer dat Mens & Werk Beheer haar belangen zelfstandig en afdoende kan behartigen, omdat het artikel 217 Rv Pro. vereist dat de verzoeker een eigen belang heeft, hetgeen hier het geval is. De beslissing omtrent de kosten van het incident en verdere beslissingen worden aangehouden tot in de hoofdzaak uitspraak wordt gedaan.

Uitkomst: Eiser wordt toegelaten tot voeging aan de zijde van Mens & Werk Beheer in de hoofdzaak.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 186739 / HA ZA 09-1197
Vonnis in incident van 20 januari 2010
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser in het incident,
advocaat mr. C.W. Reintjes te Duiven,
tegen
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. E.C.N. Amory te Nijmegen,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MENS & WERK BEHEER B.V.,
gevestigd te [woonplaats],
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.
Partijen zullen hierna [eiser in het incident], [eiseres in de hoofdzaak] en Mens & Werk Beheer genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 28 oktober 2009
- de incidentele conclusie tot voeging
- de conclusie van antwoord in het incident van [eiseres in de hoofdzaak]
- de conclusie van antwoord in het incident van Mens & Werk Beheer.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. [eiser in het incident] vordert – samengevat – dat de rechtbank hem in de hoofdzaak tussen [eiseres in de hoofdzaak] en Mens & Werk Beheer zal toelaten als gevoegde partij.
2.2. Ten aanzien van deze incidentele vordering voert [eiseres in de hoofdzaak] verweer en refereert Mens & Werk Beheer zich aan het oordeel van de rechtbank. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.3. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het petitum niet blijkt aan de zijde van welke partij [eiser in het incident] zich wenst te voegen. Uit zijn stellingen volgt echter dat hij voeging aan de zijde van Mens & Werk Beheer beoogt. Aldus hebben, blijkens hun conclusies van antwoord, [eiseres in de hoofdzaak] en Mens & Werk Beheer de vordering ook begrepen en aldus zal ook de rechtbank de vordering verstaan.
2.4. Voor zover [eiser in het incident] meent dat deze vordering reeds toewijsbaar is op grond van de overwegingen van het vonnis van 28 oktober 2009, berust dat op een onjuiste lezing van dat vonnis.
2.5. Ingevolge artikel 217 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen.
2.6. [eiseres in de hoofdzaak] voert allereerst aan, kort gezegd, dat evident is dat de besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van Mens & Werk Beheer rechtsgeldigheid missen en dat die besluiten op die grond dienen te worden vernietigd. Die beoordeling zal echter in de hoofdzaak plaatsvinden en speelt in het kader van de beoordeling van de onderhavige incidentele vordering geen rol.
2.7. [eiseres in de hoofdzaak] voert voorts ten verwere aan dat [eiser in het incident] geen belang heeft bij voeging, aangezien hij door de vernietiging van de besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van Mens & Werk Beheer niet in zijn belangen zal worden geschaad. Wat daarvan ook zij, volgens artikel 217 Rv Pro. is de voorwaarde voor voeging dat de partij die vordert zich te mogen voegen, een belang heeft bij de uitkomst van het geding. Voorwaarde is dus niet dat hij door de uitkomst van het geding (wellicht) in zijn belangen zal worden geschaad. Reeds op grond van het feit dat [eiser in het incident] de helft van de aandelen in Mens & Werk Beheer houdt én directeur is van Mens & Werk Beheer, moet hij geacht worden een dergelijk belang te hebben. [eiseres in de hoofdzaak] heeft bovendien de stelling van [eiser in het incident] dat een voor Mens & Werk Beheer ongunstige uitkomst van de procedure zijn rechtspositie nadelig kan beïnvloeden, niet gemotiveerd weersproken. Dat verweer wordt dus verworpen.
2.8. [eiseres in de hoofdzaak] voert voorts aan dat niet valt in te zien dat Mens & Werk Beheer haar belangen niet naar behoren en zelfstandig afdoende kan behartigen. Of Mens & Werk Beheer dat kan, is echter niet relevant: het gaat, gezien artikel 217 Rv Pro., om de vraag of [eiser in het incident] een eigen belang heeft. Of hetgeen [eiser in het incident] te melden heeft, iets toevoegt, zal eerst kunnen blijken nadat [eiser in het incident] na de toelating tot voeging in de hoofdzaak heeft geconcludeerd. Wat [eiseres in de hoofdzaak] daaromtrent aanvoert, is dan ook, indien al van belang, prematuur.
2.9. Ten slotte voert [eiseres in de hoofdzaak] nog aan dat de procedure door deze tweede incidentele vordering andermaal vertraging oploopt en dat om die reden de vordering moet worden afgewezen. Het enkele feit dat de incidentele vordering vertraging oplevert, is echter onvoldoende om de afwijzing van de vordering te kunnen dragen.
Voor zover [eiseres in de hoofdzaak] bedoelt dat de toewijzing van de incidentele vordering, dus de voeging zelf, tot vertraging zal leiden, overweegt de rechtbank dat het belang van [eiseres in de hoofdzaak] bij het voorkomen van die vertraging in verhouding tot het belang van [eiser in het incident] bij de toelating tot voeging niet zodanig groot is dat haar belang dient te prevaleren.
2.10. Nu de gronden de incidentele vordering tot voeging kunnen dragen, zal deze worden toegewezen.
2.11. De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
2.12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
in het incident
3.1. staat [eiser in het incident] toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van Mens & Werk Beheer,
3.2. houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 maart 2010 voor het nemen van de conclusie van antwoord door Mens & Werk Beheer en [eiser in het incident],
3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.