ECLI:NL:RBARN:2009:BJ7376
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.C.G.J. van Well
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag grondwaterbelasting vernietigd wegens ontbreken feitelijke macht houder inrichting
Eiser was eigenaar van een perceel waar grondwater werd onttrokken voor een bouwproject met bronbemaling. Verweerder legde een naheffingsaanslag grondwaterbelasting en een boetebeschikking op aan eiser, stellende dat hij houder van de inrichting was. Eiser betwistte dit en stelde geen feitelijke macht over de inrichting te hebben gehad.
De rechtbank oordeelde dat het begrip 'houder van een inrichting' in de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) gelijk moet worden uitgelegd als in de Grondwaterwet, waarbij beslissend is wie feitelijke macht over de inrichting uitoefent tijdens de onttrekking van grondwater. Uit het dossier en de zitting bleek dat eiser geen pompen bediende en geen doorslaggevende zeggenschap had over de bronbemaling.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet de feitelijke macht had en dus niet belastingplichtig was voor de grondwaterbelasting. De naheffingsaanslag en boetebeschikking werden vernietigd. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak benadrukt dat registratie bij de provincie niet beslissend is voor belastingplicht en dat feitelijke macht centraal staat. Dit leidt tot een belangrijke verduidelijking van de toepassing van de Wbm in samenhang met de Grondwaterwet.
Uitkomst: De naheffingsaanslag grondwaterbelasting en boetebeschikking worden vernietigd omdat eiser niet als houder van de inrichting kan worden aangemerkt.