ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4460

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
29 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 07/3513
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34g WrbArt. 5.5 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 5.6 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 8:75 AwbArt. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking toevoeging rechtsbijstand wegens overschrijding heffingvrije vermogen

Eiseres ontving een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand voor mediation bij haar echtscheiding. Verweerder trok deze toevoeging met terugwerkende kracht in omdat eiseres een bedrag van €10.000 ontving, wat meer is dan 50% van haar heffingvrije vermogen van €19.698.

Eiseres voerde aan dat het ontvangen bedrag niet correct was berekend en dat zij het bedrag had besteed aan een nieuwe inboedel. Ook stelde zij dat na de afwikkeling van de echtscheiding slechts €8.866 aan haar toekwam. De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd waren en dat het resultaat van de zaak inderdaad boven de grens van 50% van het heffingvrije vermogen lag.

De rechtbank concludeerde dat verweerder de toevoeging terecht had ingetrokken en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de toevoeging rechtsbijstand.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 07/3513
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 29 mei 2009
inzake
[eiseres], eiseres,
wonende te [woonplaats],
tegen
de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 12 juli 2007.
2. Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2006 heeft verweerder aan eiseres een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) verleend terzake van de verrichte mediationwerkzaamheden met betrekking tot haar echtscheiding.
In navolging van het op 23 november 2006 uitgebrachte voornemen, heeft verweerder bij besluit van 9 januari 2007 de verleende toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 januari 2008. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door [adviseur], financieel adviseur. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Rutten.
Het onderzoek ter zitting is geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen stukken (waaronder een aangepast echtscheidingsconvenant) aan de rechtbank te overleggen om haar stelling dat er voor haar een bedrag van € 8.866, en derhalve geen € 10.000, na de afwikkeling van haar echtscheiding resteerde, te onderbouwen.
Bij brief van 18 februari 2008 heeft eiseres een wijziging van het echtscheidingsconvenant aan de rechtbank doen toekomen.
Bij brief van 26 februari 2008 heeft verweerder hierop gereageerd.
Aan partijen is vervolgens toestemming gevraagd om de rechtbank uitspraak te laten doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt. De rechtbank heeft evenwel niet van alle partijen schriftelijk toestemming gekregen. Het beroep is daarom verder behandeld tijdens de zitting van 19 november 2008. Eiseres is aldaar verschenen, bijgestaan door [adviseur], voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Rutten, voornoemd.
3. Overwegingen
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres als resultaat van de rechtsbijstand een bedrag heeft ontvangen van € 10.000. Het resultaat van de zaak bedraagt dan ook meer dan 50% van het voor eiseres geldende heffingvrije vermogen van
€ 19.698.
Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en heeft zich, voor zover in deze van belang, op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 10.000 niet correct tot stand is gekomen en dat het door haar ontvangen bedrag reeds is besteed aan een nieuwe inboedel.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 34g, eerste lid, van de Wrb wordt, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken, indien:
a. de rechtzoekende de kosten van rechtsbijstand kan verhalen op een derde, of
b. op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrije vermogen heeft.
Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder p, van de Wrb wordt onder heffingvrije vermogen verstaan: het heffingvrije vermogen, bedoeld in de artikelen 5.5 en 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Op grond van artikel 5.5, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedroeg het heffingvrije vermogen ten tijde van de definitieve afhandeling van de zaak, zijnde 5 oktober 2006, de datum waarop het echtscheidingsconvenant is overeengekomen en ondertekend,
€ 19.698 (Stcrt. 2005, 251).
De rechtbank stelt vast dat in het echtscheidingsconvenant, overeengekomen en ondertekend op 5 oktober 2006 en voor zover in deze van belang, in verband met overbedeling van haar ex-echtgenoot een bedrag van € 10.000 aan eiseres is toegekend. Dit brengt met zich dat het resultaat van de zaak meer bedraagt dan 50% van het voor eiseres geldende heffingvrije vermogen. Immers, 50% van € 19.698 bedraagt € 9.849.
Evenals verweerder is de rechtbank voorts niet gebleken van zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan het resultaat van de rechtsbijstand buiten beschouwing kan worden gelaten. Verweerder heeft derhalve terecht de toevoeging ingetrokken. De stelling van eiseres dat zij van het bedrag van €10.000 een nieuwe inboedel heeft aangeschaft om haar appartement in te richten, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit geldt evenzo voor de ter zitting van 29 januari 2008 ingenomen stelling van eiseres dat er voor haar een bedrag van € 8.866, en derhalve geen € 10.000, na de afwikkeling van de echtscheiding resteerde. Weliswaar heeft eiseres bij brief van 18 februari 2008 een door haar en haar ex-echtgenoot op 31 januari 2008 ondertekende verklaring overgelegd, waarin is opgenomen dat twee Perzische tapijten à € 2.000 achteraf aan haar ex-echtgenoot zijn toebedeeld, maar hiermee heeft eiseres haar stelling niet onderbouwd. Immers, dit rechtvaardigt niet de conclusie
- zoals zijdens verweerder terecht naar voren gebracht - dat eiseres een lager bedrag aan overbedeling heeft ontvangen.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongrond.
Aldus gegeven door mr. D.S.M. Bak, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2009.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Verzonden op: 29 mei 2009