ECLI:NL:RBARN:2009:BI4880
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na brandstichting woonhuis wegens vermoeden opzettelijke brand door verzekerde
De verzekerde sloot een woon- en inboedelverzekering af bij Ohra en meldde brandschade na een brandstichting in zijn woonhuis. Een technisch onderzoek concludeerde dat de brand met opzet was veroorzaakt en dat een technische oorzaak was uitgesloten. De verzekeraar vermoedde dat de verzekerde zelf de brand had gesticht, mede vanwege het ontbreken van een aannemelijk motief voor een derde en het feit dat de brand ontstond kort na het afsluiten van de verzekering.
De rechtbank stelde vast dat de brand was ontstaan door brandstichting, maar niemand had gezien wie de brand had veroorzaakt. De verzekerde en zijn echtgenote waren thuis en er waren twee buitendeuren open, waardoor een derde binnen had kunnen komen, maar het was onwaarschijnlijk dat die persoon zonder motief de brand had gesticht. De rechtbank achtte het vermoeden gerechtvaardigd dat de verzekerde zelf de brand had veroorzaakt met het oog op verzekeringsfraude.
De verzekeraar voerde aan dat de bewijslast op de verzekerde rustte om tegenbewijs te leveren, gezien de tegenstrijdigheden en vermoedens. De rechtbank overwoog dat de rechter bij bewijswaardering gebruik kan maken van vermoedens en dat de verzekerde onvoldoende tegenbewijs leverde. De eerdere brandstichting in 1987 en de tussentijdse verzekeringsgeschiedenis werden buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank wees de vordering van de verzekerde af en veroordeelde hem in de proceskosten. De beslissing is gebaseerd op artikel 7:952 BW Pro dat schade veroorzaakt met opzet of roekeloosheid niet wordt vergoed door de verzekeraar.
Uitkomst: De vordering van de verzekerde tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens het vermoeden dat hij zelf de brand heeft gesticht.