ECLI:NL:RBARN:2009:BH2962
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag op bedrijfspand wegens ondeugdelijkheid recht en schade
Eiser vordert de opheffing van het conservatoir beslag dat United Force op zijn bedrijfspand heeft gelegd, omdat de bodemrechter reeds heeft geoordeeld dat United Force niet heeft aangetoond dat er een geldige huurovereenkomst bestaat. United Force voert verweer en beroept zich op een arrest van de Hoge Raad dat afwijzing van de bodemvordering niet automatisch leidt tot opheffing van het beslag.
De voorzieningenrechter overweegt dat het ontbreken van een vordering tot opheffing in de bodemprocedure niet betekent dat er geen spoedeisend belang is bij opheffing in kort geding. Het belang van eiser om het pand te kunnen verkopen en de waardedaling van het pand maken het spoedeisend. De voorzieningenrechter stelt vast dat United Force onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade lijdt of niet op de opbrengst kan verhalen.
Gezien het feit dat de bodemrechter de vorderingen van United Force heeft afgewezen en eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij aanzienlijke schade lijdt door het beslag, weegt het belang van eiser zwaarder. Daarom wordt het beslag opgeheven. United Force wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en een dwangsom opgelegd voor het geval zij niet binnen vijf dagen het beslag opheft.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag op het bedrijfspand wordt toegewezen en United Force wordt veroordeeld tot opheffing binnen vijf werkdagen en betaling van proceskosten.