ECLI:NL:RBARN:2009:BH0208
Rechtbank Arnhem
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van eis in hoofdzaak en verval conservatoir beslag wegens niet tijdige hoofdzaakvordering
In deze kortgedingprocedure staat centraal of de eis die gedaagde heeft ingesteld in de bodemprocedure voldoet aan de vereisten van artikel 700 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit artikel vereist dat binnen een door de rechter gestelde termijn na beslaglegging een eis in de hoofdzaak wordt ingesteld. Indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, vervalt het conservatoir beslag van rechtswege.
Gedaagde had conservatoir beslag gelegd op een onroerende zaak van eiseres en vervolgens een procedure gestart waarin hij een verklaring voor recht vorderde dat een akte van verdeling nietig is en dat een deel van het perceel zijn eigendom is. Eiseres betoogde dat deze vordering geen eis in de hoofdzaak is in de zin van artikel 700 lid 3 Rv Pro, omdat het niet strekt tot het verkrijgen van een executoriale titel.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering van gedaagde inderdaad geen eis in de hoofdzaak is, aangezien het slechts een verklaring voor recht betreft zonder directe executoriale titel. Omdat gedaagde niet binnen de gestelde termijn een juiste eis in de hoofdzaak had ingesteld, was het conservatoir beslag vervallen en moest dit worden doorgehaald. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het niet naleven van dit bevel. Het gevorderde verbod om opnieuw beslag te leggen werd afgewezen vanwege onvoldoende grond.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot doorhaling van het beslag binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis, legde een maximale dwangsom van € 20.000,- op en veroordeelde hem in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Het conservatoir beslag is vervallen en gedaagde wordt bevolen het beslag binnen twee werkdagen te doorhalen onder dwangsom.