ECLI:NL:RBARN:2008:BF9025
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. van Gijn
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding bevestigd ondanks onjuiste wettelijke grondslag
Eiseres diende een aanvraag in voor bijstand die door verweerder werd afgewezen op grond van het bestaan van een gezamenlijke huishouding met de heer B. Verweerder baseerde dit op een besluit van 21 december 2007 waarin werd vastgesteld dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde en haar hoofdverblijf in de woning van B had.
Hoewel er geen registratie was als bedoeld in het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998, berustte het besluit op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank oordeelde echter dat het besluit niet vernietigd mocht worden zonder de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat volgens artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB sprake was van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.
Eiseres voerde aan dat zij een gescheiden huishouden voerde en dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden, maar dit werd niet gevolgd. Wel werd het bezwaar tegen de afwijzing van voorschotverlening niet-ontvankelijk verklaard omdat daartegen geen beroep openstaat.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit voor zover het betrekking had op het bezwaar tegen voorschotverlening, maar liet de overige rechtsgevolgen van het besluit in stand. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €644 en het griffierecht van €39 aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het bezwaar tegen de afwijzing van voorschotverlening betreft, maar de overige rechtsgevolgen blijven in stand.