ECLI:NL:RBARN:2008:BE8986

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
13 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/316 en 08/317 - 518213-07 en 517017-07
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen politierechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de politierechter, stellende dat zij vooringenomen was door de gelijktijdige behandeling van hun zaken met die van medeverdachten en haar houding tijdens de zitting. Zij vreesden hierdoor niet vrijuit te kunnen spreken. De politierechter had nog geen beslissing genomen op het verzoek tot splitsing van de zaken, maar had wel aangegeven dat medeverdachten ook bij gescheiden behandeling als benadeelden aanwezig konden zijn.

De wrakingskamer stelde vast dat er nog geen beslissing was genomen op het verzoek tot splitsing, waardoor het afwijzen daarvan geen grond voor wraking kon vormen. Ook was er geen objectieve aanwijzing dat de politierechter vooringenomen was geweest, ondanks de door verzoekers ervaren toon en bejegening.

De politierechter wilde weten wat een verzoekster van de situatie vond, maar dit werd door haar advocaat als ongepast ervaren, waarna het wrakingsverzoek werd ingediend. De wrakingskamer oordeelde dat dit handelen geen schending van onpartijdigheid inhoudt.

Ten overvloede werd overwogen dat zelfs als er al een beslissing over splitsing was genomen, dit een procedurele beslissing betreft die geen grond voor wraking kan zijn zonder bijkomende feiten. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter wordt afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ARNHEM
Wrakingskamer
Zaaknummer/parketnummer: 08/316 en 08/317 - 518213-07 en 517017-07
Beschikking van 13 augustus 2008
inzake
[verzoekster 1],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
niet verschenen,
en
[verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
niet verschenen,
advocaat mr. J. Peters te Amersfoort.
en
MR. [politierechter],
in hoedanigheid van politierechter in de strafzaken onder parketnummers 518213-07 en 517017-07 van het openbaar ministerie tegen verzoekers voornoemd.
1. De procedure
1.1. Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar de tussenbeschikking van 11 juni 2008. In die beschikking heeft de wrakingskamer bepaald dat mr. [politierechter] in de gelegenheid zou worden gesteld om vóór 25 juni 2008 haar reactie op de onderbouwing van het wrakingsverzoek aan de wrakingskamer te doen toekomen, en dat zij moest aangeven of zij gehoord wenste te worden. Verzoekers moesten zich vervolgens vóór 9 juli 2008 uitlaten over de vraag of zij naar aanleiding van de reactie van mr. [politierechter] een voortgezette mondelinge behandeling wensten. Vervolgens is iedere verdere beslissing aangehouden.
1.2. Mr. [politierechter] heeft - na een kort uitstel - bij brief van 8 juli 2008 haar reactie gegeven en aangegeven dat zij niet nader gehoord wenst te worden, waarna de raadslieden van verzoekers bij brieven van respectievelijk 10 en 14 juli 2008 hebben aangegeven dat er geen behoefte meer bestaat aan een nadere mondelinge behandeling.
1.3. Vervolgens is de beslissing bepaald op heden.
2. Het verzoek en het verweer
2.1. Verzoekers stellen dat mr. [politierechter] met haar handelen de schijn van vooringenomenheid en partijdigheid heeft gewekt en voeren daartoe het volgende aan. Verzoekers werden eerst tijdens de strafzitting geconfronteerd met de omstandigheid dat de zaken tegen de medeverdachten gelijktijdig werden behandeld met hun eigen zaken. Omdat verzoekers bang voor hun medeverdachten zijn, durfden zij niet vrijuit te spreken over het incident waarvoor zij, alsook de medeverdachten, terecht stonden. De raadslieden hebben toen om splitsing van de zaken gevraagd. Mr. [politierechter] was volgens verzoekers echter niet geïnteresseerd in de waarheid achter de zaken, nu zij aangaf dat ook bij splitsing van de zaken de medeverdachten als benadeelde partij bij de zitting aanwezig zouden kunnen zijn. Zij zei dit op een toon van vooringenomenheid, zodat zij klaarblijkelijk al een oordeel over de zaak had geveld. Mr. [politierechter] bejegende de medeverdachten in tegenstelling tot verzoekers juist vriendelijk. Verder vroeg mr. [politierechter] aan verzoeker [verzoekster 2] wat zij van de situatie vond, hetgeen volgens de advocaat van [verzoekster 2] niet gepast was in die situatie. Daarop heeft hij een verzoek tot wraking ingediend, bij welk verzoek mr. Dijkstra zich heeft aangesloten. Verzoekers komen tot de conclusie dat mr. [politierechter] door te handelen zoals hierboven is omschreven blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, dan wel de schijn van partijdigheid heeft gewekt.
2.2. Mr. [politierechter] berust niet in de wraking en voert verweer. Zij bestrijdt dat zij verbaal of non-verbaal te kennen heeft gegegeven dat zij op de hand van de medeverdachten van verzoekers was. Volgens mr. [politierechter] heeft zij aangegeven dat de zitting openbaar was en dat de andere verdachten ook bij een gescheiden behandeling aanwezig zouden kunnen zijn, maar dan in hun hoedanigheid van slachtoffer. Van enige vooringenomenheid was volgens haar geen sprake. Mr. [politierechter] wilde vervolgens weten wat verzoeker [verzoekster 2] van de situatie vond, maar zij mocht niet antwoorden van haar advocaat, waarna de advocaat terstond een verzoek tot wraking indiende. De advocaat van verzoeker [verzoekster 1] heeft zich bij dat verzoek aangesloten. Mr. [politierechter] merkt hierbij nog op dat zij aan het toe- of afwijzen van het verzoek tot splitsing niet meer is toegekomen.
3. De motivering van de beslissing
3.1. In artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een wrakingsgrond moet zodoende zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak behandelt. De ratio van het instituut van de wraking is immers gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid.
3.2. De wrakingskamer stelt vast dat mr. [politierechter] nog geen beslissing heeft genomen over het verzoek tot splitsing. Dit blijkt niet alleen uit het verweer van mr. [politierechter], maar ook het uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 april 2008. Mr. [politierechter] heeft slechts aangegeven wat het gevolg zou zijn van een eventuele splitsing. Volgens haar kon daarmee niet bereikt worden dat de medeverdachten niet (meer) aanwezig zouden bij de behandeling van de zaken van verzoekers. Dit heeft zij verzoekers en hun advocaten medegedeeld. Toen de advocaat van verzoeker [verzoekster 2] volhardde in zijn verzoek, heeft mr. [politierechter] aan [verzoekster 2] gevraagd wat zij zelf van de situatie vond. De advocaat van [verzoekster 2] vond het niet gepast dat mr. [politierechter] dit vroeg en heeft een verzoek tot wraking ingediend, bij welk verzoek de advocaat van [verzoekster 1] zich heeft aangesloten. Hieruit kan worden afgeleid dat op het verzoek tot splitsing nog niet was beslist, alvorens het verzoek tot wraking werd gedaan. De wrakingskamer is derhalve van oordeel dat, nu er nog geen beslissing was genomen, het afwijzen van het verzoek tot splitsing geen grond voor wraking kan vormen.
3.3. Wat betreft de stelling van verzoekers dat mr. [politierechter] op een toon van vooringenomenheid sprak, overweegt de wrakingskamer dat zonder enige toelichting of nadere onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat daarvan sprake was.
3.4. Nu ook anderszins het wrakingsverzoek geen aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat door het handelen van mr. [politierechter] de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, moet het wrakingsverzoek worden afgewezen.
3.5. Ten overvloede wordt nog overwogen dat ook al zou mr. [politierechter] reeds een beslissing hebben genomen over het verzoek tot splitsing, dit besluit de vooringenomenheid van de rechter niet zou raken. Naar het oordeel van de wrakingskamer betreft het hier een procedurele beslissing. Een dergelijke beslissing - die wellicht onwelgevallig is voor één der betrokkenen - kan volgens vaste jurisprudentie behoudens bijkomende feiten en/of omstandigheden geen grond voor wraking opleveren. Zodanige feiten en/of omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1. wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C.G.J. van Well (voorzitter), E.A.A.M. Pfeil en D.S.M. Bak, in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 13 augustus 2008.
de griffier de voorzitter